19 juni 2026

0 Reactie(s)

19 juni 2026

De overheid moet het voorbeeld geven: datacenters horen in het hart van de energietransitie

De discussie over datacen­ters wordt nog te vaak gevoerd alsof het gaat om losse gebouwen die veel stroom gebruiken. Dat is te beperkt. Datacen­ters zijn geen geïso­leerde dozen aan de rand van een bedrij­ven­ter­rein. Ze zijn onder­deel van een veel grotere keten: digitale infra­struc­tuur, elektri­ci­teits­netten, warmte­voor­zie­ning, water­ge­bruik, hardwa­re­pro­ductie, grond­stoffen, software-effici­ëntie, ruimte­lijke ordening en publieke verantwoording.

Juist daarom moet de overheid niet alleen regels maken voor datacen­ters, maar zelf het voorbeeld geven. Niet door simpelweg stren­gere eisen op papier te zetten, maar door in haar eigen digitale infra­struc­tuur te laten zien hoe het wél kan. De overheid is groot­ge­bruiker van ICT, opdracht­gever, vergun­ning­ver­lener, inkoper, gebieds­re­gis­seur en beleids­maker. Daarmee heeft zij een unieke positie. Waar markt­par­tijen vaak optima­li­seren binnen hun eigen contract, locatie of busines­scase, kan alleen de overheid partijen bij elkaar brengen over de grenzen van organi­sa­ties, sectoren en belangen heen.

De energie­tran­sitie vraagt niet om meer losse optima­li­sa­ties. Zij vraagt om ketenoplossingen.

Transparantie als startpunt, niet als eindpunt

De eerste voorwaarde is trans­pa­rantie. Zonder betrouw­bare data blijft iedere discussie over datacen­ters hangen in beeld­vor­ming. De sector zegt dat zij efficiënt is. Omwonenden zien grote gebouwen en veel stroom­aan­slui­tingen. Overheden spreken over verduur­za­ming. Maar de vraag is: waar blijkt dat uit?

Een modern datacenter zou inzicht moeten geven in het daadwer­ke­lijke energie­ge­bruik, de verhou­ding tussen IT-verbruik en gebouw­ge­bonden verbruik, de effici­ëntie van koeling, het water­ge­bruik, het aandeel werke­lijk duurzame energie, de benut­ting van restwarmte, de inzet van batte­rijen en de levens­duur van hardware. Niet één keer per jaar in een abstract rapport, maar struc­tu­reel, contro­leer­baar en vergelijkbaar.

Daarbij moeten we verder kijken dan alleen PUE. PUE zegt iets over de verhou­ding tussen totale energie en IT-energie, maar niet of de IT zelf efficiënt wordt gebruikt. Een datacenter met een mooie PUE kan nog steeds draaien op slecht benutte servers, ineffi­ci­ënte software, overge­di­men­si­o­neerde infra­struc­tuur of hardware die veel te vroeg wordt vervangen. Trans­pa­rantie moet daarom ook gaan over workload-effici­ëntie, bezet­tings­graad, energie per digitale dienst, energie per trans­actie, CO₂-impact per workload en de mate waarin systemen daadwer­ke­lijk worden uitgezet of terug­ge­scha­keld als ze niet nodig zijn.

De overheid zou hierin de lat moeten leggen. Niet door van anderen te eisen wat zij zelf niet meet, maar door haar eigen datacen­ters, cloud­con­tracten en ICT-aanbe­ste­dingen volledig meetbaar te maken.

Verantwoording: van mooie intenties naar bewijsbare prestaties

Trans­pa­rantie heeft pas waarde als zij leidt tot verant­woor­ding. Dat betekent dat cijfers onafhan­ke­lijk contro­leer­baar moeten zijn. De tijd van vrijblij­vende duurzaam­heids­claims is voorbij. Wie zegt dat een datacenter groen, circu­lair of energie-efficiënt is, moet dat kunnen aantonen.

Dat geldt zeker voor publieke digitale infra­struc­tuur. Burgers en bedrijven moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid haar digitale systemen niet alleen veilig en betrouw­baar organi­seert, maar ook aantoon­baar duurzaam. Overheids­data, zorgdata, onder­wijs­data, mobili­teits­data en veilig­heids­data draaien allemaal ergens op fysieke infra­struc­tuur. Die infra­struc­tuur gebruikt stroom, water, hardware, koeling en ruimte. Daar hoort publieke verant­woor­ding bij.

De overheid zou daarom in alle relevante ICT- en datacen­ter­con­tracten moeten eisen dat leveran­ciers rappor­teren op uniforme KPI’s. Denk aan energie-effici­ëntie, water­ge­bruik, CO₂-impact, circu­la­ri­teit, restwarm­te­be­nut­ting, hernieuw­bare energie, batte­rij­ge­bruik en levens­duur van hardware. Belang­rijker nog: deze KPI’s moeten niet alleen worden aange­le­verd door de leveran­cier, maar ook verifi­eer­baar zijn.

Wie publieke digitale diensten levert, moet publieke duurzaam­heids­ver­ant­woor­ding accepteren.

Energie-efficiëntie: niet alleen koelen, maar de hele keten verbeteren

Energie-effici­ëntie in datacen­ters wordt nog te vaak vernauwd tot de koeling. Natuur­lijk is koeling belang­rijk. Lucht­stromen, tempe­ra­tuur­re­gimes, vloei­stof­koe­ling, immersion cooling, warmte­te­rug­win­ning en slimme monito­ring kunnen veel verschil maken. Maar echte energie-effici­ëntie begint eerder in de keten.

De belang­rijkste vraag is niet alleen: hoe efficiënt koelen we de servers? De vraag is ook: moeten deze servers überhaupt aan staan? Wordt de hardware goed benut? Is de software efficiënt geschreven? Draaien workloads op de juiste plek en op het juiste moment? Kunnen niet-tijdkri­ti­sche bereke­ningen worden verschoven naar momenten waarop veel duurzame energie beschik­baar is? Wordt oude hardware vervangen omdat het moet, of omdat het boekhoud­kundig of commer­cieel zo uitkomt?

Datacen­ters kunnen een rol spelen in flexi­bi­li­teit van het energie­sys­teem, maar alleen als de digitale keten daarop is ingericht. AI-training, batch­ver­wer­king, simula­ties en bepaalde analy­se­pro­cessen zijn niet altijd tijdkri­tisch. Die kunnen in sommige gevallen worden gepland op momenten dat het elektri­ci­teitsnet minder belast is of wanneer lokaal duurzame opwek beschik­baar is. Kritieke systemen, zoals zorg, betalings­ver­keer of veilig­heid, vragen uiter­aard een andere benade­ring. Juist daarom is keten­regie nodig: niet alles kan flexibel, maar veel meer dan nu gebeurt is wél te organiseren.

De overheid kan hierin als opdracht­gever het verschil maken. Zij kan eisen dat leveran­ciers niet alleen beschik­baar­heid garan­deren, maar ook energie­pres­tatie, workload-effici­ëntie en flexi­bi­li­teit aantonen.

Watergebruik: geen bijzaak in een veranderend klimaat

Water­ge­bruik hoort volwaardig onder­deel te zijn van de datacen­ter­dis­cussie. Zeker in periodes van droogte, verzil­ting of regio­nale water­schaarste is het onvol­doende om alleen naar elektri­ci­teit te kijken. Sommige koelcon­cepten gebruiken weinig water, andere juist meer. Sommige oplos­singen verplaatsen het probleem van energie naar water. Dat moet zicht­baar worden.

Daarbij is het belang­rijk onder­scheid te maken tussen water­ont­trek­king, water­ver­bruik, drink­wa­ter­ge­bruik, industrie­water, opper­vlak­te­water en indirect water­ge­bruik in de energie­keten. Eén generiek WUE-cijfer is nuttig, maar onvol­doende als de regio­nale context ontbreekt. Een liter water in een water­rijk gebied heeft een andere impact dan een liter water in een regio onder druk. Ook hier geldt: meten is noodza­ke­lijk, maar duiden is minstens zo belangrijk.

De overheid zou daarom moeten eisen dat datacen­ters en cloud­le­ve­ran­ciers water­ge­bruik rappor­teren in samen­hang met locatie, koeltech­niek, seizoen, bron en beschik­baar­heid. Zeker bij publieke opdrachten mag water­ge­bruik niet verdwijnen in techni­sche bijlagen.

Refurbishment en circulariteit: duurzaamheid zit ook in wat je niet nieuw koopt

De energie­tran­sitie gaat niet alleen over stroom. Zij gaat ook over materi­alen. Servers, racks, UPS-systemen, batte­rijen, koelin­stal­la­ties, bekabe­ling, netwerk­ap­pa­ra­tuur en opslag­media bevatten grond­stoffen, metalen en compo­nenten die ergens zijn gewonnen, gepro­du­ceerd, vervoerd en uitein­de­lijk weer moeten worden verwerkt.

Toch wordt in de datacen­ter­we­reld nog te vaak gestuurd op nieuw, sneller en groter. Dat is begrij­pe­lijk vanuit presta­ties en garantie, maar niet altijd duurzaam. Refur­bish­ment, herge­bruik, levens­duur­ver­len­ging en herplaat­sing van hardware moeten veel serieuzer worden genomen. Niet elke server is geschikt voor iedere workload, maar veel hardware kan langer of anders worden ingezet dan nu gebeurt. Denk aan herge­bruik voor minder kriti­sche workloads, testom­ge­vingen, onder­wijs, edge-toepas­singen of secun­daire verwerkingscapaciteit.

Ook infra­struc­tuur verdient aandacht. Waarom zouden complete instal­la­ties worden vervangen als onder­delen kunnen worden gemoder­ni­seerd? Waarom niet sturen op modulaire infra­struc­tuur die makke­lijker aanpas­baar, repareer­baar en herbruik­baar is? Waarom niet bij aanbe­ste­dingen eisen dat leveran­ciers aantonen wat de materi­aal­im­pact is van hun oplos­sing, inclu­sief end-of-life scenario?

De overheid heeft via inkoop­macht een directe hefboom. Als publieke aanbe­ste­dingen circu­la­ri­teit, refur­bish­ment en levens­duur­ver­len­ging serieus gaan waarderen, volgt de markt sneller.

Restwarmte: van verliespost naar lokale waarde

Een datacenter zet uitein­de­lijk vrijwel alle gebruikte elektri­ci­teit om in warmte. Die warmte wordt vaak nog gezien als restpro­duct. Dat is een gemiste kans. In een land waar woningen, kantoren, zwembaden, kassen en industrie van het gas af moeten, kan datacen­ter­warmte onder­deel zijn van lokale warmtesystemen.

Maar restwarmte werkt niet vanzelf. Er moet een warmte­vrager in de buurt zijn. De tempe­ra­tuur moet bruik­baar zijn of met warmte­pompen worden opgewaar­deerd. Er zijn leidingen, contracten, inves­te­ringen en langja­rige afspraken nodig. Een datacenter kan dat niet alleen organi­seren. Een woning­cor­po­ratie ook niet. Een gemeente vaak ook niet zonder partners. Een netbe­heerder kijkt weer vanuit een ander perspec­tief. Juist hier is de overheid onmis­baar als ketenregisseur.

Bij nieuwe datacen­ter­lo­ca­ties zou restwarmte geen vrijblij­vende optie moeten zijn, maar een ruimte­lijke randvoor­waarde. Niet elk project zal direct warmte kunnen leveren, maar elk project zou moeten aantonen hoe warmte­be­nut­ting mogelijk wordt gemaakt, welke partijen nodig zijn en waarom het wel of niet haalbaar is.

De vraag moet niet zijn: kan het datacenter zijn warmte kwijt? De vraag moet zijn: welke lokale warmte­keten kunnen we rond deze infra­struc­tuur bouwen?

Echte groene energie: meer dan certificaten

Datacen­ters claimen vaak dat zij op groene stroom draaien. Maar groene stroom is niet altijd hetzelfde als additi­o­nele, lokaal relevante en gelijk­tijdig beschik­bare duurzame energie. Certi­fi­caten kunnen admini­stra­tief kloppen, terwijl de fysieke werke­lijk­heid complexer is. Op momenten zonder wind of zon draait het systeem nog steeds op de mix die beschik­baar is. Daarom moeten we scherper kijken naar wat “groen” betekent.

Voor datacen­ters die een grote en constante elektri­ci­teits­vraag hebben, zou de lat hoger moeten liggen. Niet alleen jaarlijkse vergroe­ning op papier, maar zoveel mogelijk koppe­ling met additi­o­nele duurzame opwek, langja­rige afname­con­tracten, lokale energie­pro­jecten en waar mogelijk tijds­ge­bonden matching tussen verbruik en opwek. Een datacenter dat zegt groen te zijn, moet ook laten zien wat het doet op momenten dat duurzame productie laag is en de netbe­las­ting hoog.

Hier ligt opnieuw een taak voor de overheid. In publieke cloud- en datacen­ter­con­tracten zou niet alleen gevraagd moeten worden naar groene stroom, maar naar de kwali­teit van die groene stroom: herkomst, additi­o­na­li­teit, tijds­pro­fiel, locatie, contract­vorm en bijdrage aan nieuwe duurzame opwek.

Batterijopslag: nuttig, maar geen excuus

Batte­rijen kunnen een belang­rijke rol spelen. Ze kunnen pieken afvlakken, eigen opwek beter benutten, noodstroom onder­steunen, congestiema­na­ge­ment mogelijk maken en flexi­bi­li­teit toevoegen. Voor datacen­ters is dat interes­sant, omdat betrouw­baar­heid en energie­ze­ker­heid altijd al centraal staan.

Maar batte­rij­op­slag is geen wonder­middel. Slecht aange­stuurde batte­rijen kunnen netcon­gestie zelfs verer­geren. Boven­dien hebben batte­rijen zelf een materi­aal­im­pact. Lithium, kobalt en andere kritieke grond­stoffen vragen om zorgvuldig gebruik, recycling, veilig­heid en transparantie.

Daarom moeten batte­rijen onder­deel zijn van een breder energie­sys­teem, niet alleen van de busines­scase van één partij. Een batterij bij een datacenter kan waarde hebben voor het datacenter zelf, maar mogelijk ook voor een bedrij­ven­ter­rein, laadplein, zonne­park, warmte­voor­zie­ning of industriële buur. Dan ontstaat systeem­waarde. Die systeem­waarde ontstaat alleen als partijen samen­werken en data delen.

Ook hier geldt: de overheid moet sturen op keten­waarde in plaats van indivi­duele optimalisatie.

Van datacenter naar energy hub

De kern van de oplos­sing is dat we datacen­ters anders moeten positi­o­neren. Niet als geïso­leerde groot­ver­brui­kers, maar als knoop­punten in lokale energie- en digitale ecosys­temen. Een modern datacenter kan onder­deel zijn van een energy hub waarin elektri­ci­teit, warmte, koude, opslag, noodver­mogen, duurzame opwek, digitale workloads en lokale gebrui­kers slim op elkaar worden afgestemd.

Dat vraagt om nieuwe coali­ties. Datacen­te­r­ex­ploi­tanten, cloud­pro­vi­ders, gemeenten, provin­cies, netbe­heer­ders, warmte­be­drijven, woning­cor­po­ra­ties, industrie, water­schappen, hardwa­re­le­ve­ran­ciers, softwa­re­par­tijen en finan­ciers moeten eerder en struc­tu­reler aan tafel. Niet pas als de vergun­ning­aan­vraag klaar is, maar bij de gebieds­ont­wik­ke­ling zelf.

De overheid is de enige partij die deze tafel geloof­waardig kan organi­seren. Niet omdat de overheid alles zelf moet doen, maar omdat zij als enige het publieke belang, ruimte­lijke ordening, energie-infra­struc­tuur, vergun­ning­ver­le­ning en inkoop­macht kan verbinden.

De overheid als launching customer

De overheid kan morgen beginnen door haar eigen vraag anders te organi­seren. Publieke cloud­con­tracten, datacen­ter­con­tracten en ICT-aanbe­ste­dingen zouden moeten sturen op meetbare duurzaam­heid. Niet als bijlage, maar als gunnings­cri­te­rium. Niet als ambitie, maar als prestatie-eis.

Dat betekent onder andere:

  • verplichte rappor­tage op energie, water, CO₂, restwarmte, circu­la­ri­teit en hardwarelevensduur;
  • onafhan­ke­lijke verifi­catie van duurzaamheidsdata;
  • waarde­ring van refur­bish­ment en modulaire infrastructuur;
  • eisen aan echte groene energie en additi­o­nele opwek;
  • beoor­de­ling van batte­rij­op­slag op systeemwaarde;
  • verplicht onder­zoek naar restwarmtebenutting;
  • trans­pa­rantie over workload-efficiëntie;
  • samen­wer­king met lokale energie- en warmtepartners;
  • en een duide­lijke koppe­ling tussen digitale soeve­rei­ni­teit en duurzame infrastructuur.

Als de overheid deze eisen stelt aan haar eigen digitale keten, ontstaat een nieuwe markt­stan­daard. Dan wordt duurzaam­heid geen marke­ting­claim, maar een voorwaarde om publieke digitale infra­struc­tuur te mogen leveren.

Conclusie: zonder ketenregie blijft verduurzaming versnipperd

De datacen­ter­dis­cussie verdient een volwas­se­nere benade­ring. Het gaat niet om voor of tegen datacen­ters. De digitale samen­le­ving heeft infra­struc­tuur nodig. AI, zorg, veilig­heid, onder­wijs, mobili­teit, overheid en bedrijfs­leven kunnen niet zonder betrouw­bare reken­kracht en dataop­slag. Maar de vraag is wel onder welke voorwaarden die infra­struc­tuur groeit.

Datacen­ters mogen niet langer alleen worden beoor­deeld op beschik­baar­heid, schaal­baar­heid en kosten. Zij moeten worden beoor­deeld op hun bijdrage aan het energie­sys­teem, hun waterim­pact, hun materi­aal­ge­bruik, hun trans­pa­rantie, hun restwarm­te­po­ten­tieel, hun flexi­bi­li­teit en hun maatschap­pe­lijke waarde.

Daarvoor is keten­denken nodig. En keten­denken ontstaat niet vanzelf in een markt die is ingericht op losse contracten, aparte vergun­ningen en indivi­duele busines­scases. De overheid moet daarom het voorbeeld geven: als opdracht­gever, als inkoper, als vergun­ning­ver­lener, als gebieds­re­gis­seur en als beheerder van publieke digitale infrastructuur.

Niet door de markt te remmen, maar door de markt beter te organiseren.

De energie­tran­sitie vraagt om datacen­ters die niet alleen digitaal presteren, maar ook aantoon­baar bijdragen aan een slimmer, schoner en betrouw­baarder energie­sys­teem. Dat vraagt om trans­pa­rantie, verant­woor­ding en samen­wer­king. En precies daar moet de overheid beginnen: bij zichzelf.

Marco Verzijl

Marco Verzijl

Marco Verzijl is voorzitter van de Save Energy Foundation en bestuurder bij Wcoolit BV en Zirrow BV

0 Reactie(s)

20 weergaven

0 Reactie(s)

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reacties gesloten

De reactiemogelijkheid is verlopen. (14 dagen)

Nieuwsbrief

Pin It on Pinterest

Share This