2 september 2026

0 Reactie(s)

2 september 2026

Van AI-fabriek naar AI-productie

Neder­land inves­teert terecht in een natio­nale AI-fabriek. Tegelij­ker­tijd laat nieuw onder­zoek van ABN AMRO zien dat tradi­ti­o­nele datacen­ter­ont­wik­ke­ling steeds harder botst met grenzen aan stroom, netca­pa­ci­teit, water, ruimte en maatschap­pe­lijk draag­vlak. Juist tussen die twee ontwik­ke­lingen ontstaat ruimte voor een andere benade­ring: centrale AI-ontwik­ke­ling waar schaal nodig is, en modulaire produc­tion-inference waar data, energie en gebruiker samenkomen.

Het Econo­misch Bureau van ABN AMRO legt in zijn analyse van 27 augustus 2026 een funda­men­teel probleem bloot. De vraag naar datacen­ter­ca­pa­ci­teit blijft door AI sterk groeien, maar de tradi­ti­o­nele manier waarop we die capaci­teit reali­seren botst steeds harder met grenzen aan elektri­ci­teit, netca­pa­ci­teit, ruimte, water, materi­alen, vergun­ningen en maatschap­pe­lijk draagvlak.

ABN AMRO verwacht dat de mondiale datacen­ter­ca­pa­ci­teit tussen 2025 en 2030 bijna verdub­belt. Tegelijk stelt het rapport dat de strate­gi­sche uitda­ging voor Europa niet primair is om simpelweg méér datacen­ters te bouwen, maar om digitale groei te combi­neren met energie­ze­ker­heid, maatschap­pe­lijke accep­tatie en concurrentiekracht.

Dat vind ik een belang­rijk uitgangs­punt. Want tegelij­ker­tijd inves­teert Neder­land terecht fors in eigen AI-capaci­teit. Met de Neder­landse AI-fabriek in Groningen ontstaat een natio­nale infra­struc­tuur voor soeve­reine AI, met een AI-super­com­puter, een exper­ti­se­cen­trum en onder­steu­ning voor bedrijven, kennis­in­stel­lingen en publieke organisaties.

Deze twee ontwik­ke­lingen lijken op het eerste gezicht misschien tegen­strijdig. Enerzijds hebben we dringend méér AI-reken­kracht nodig. Ander­zijds wordt het steeds moeilijker om grote concen­tra­ties reken­kracht fysiek in te passen.

Volgens mij ligt precies daar een van de belang­rijkste infra­struc­tuur­vragen voor de komende jaren: moeten we alle toekom­stige AI-compute op dezelfde manier organiseren?

Mijn antwoord is nee. Voor het trainen van grote modellen zijn zeer grote, centrale en sterk gekop­pelde AI-systemen logisch en noodza­ke­lijk. Maar na training begint een andere markt: inference. Het dagelijks gebruiken van AI in onder­ne­mingen, zieken­huizen, overheden, industrie, logis­tiek, energie­voor­zie­ning en andere opera­ti­o­nele processen.

Voor die markt kunnen heel andere infra­struc­tuur­prin­cipes gelden. Dat is waar ik een mogelijke rol zie voor SOLOAI, in combi­natie met Zirrow. Niet als concur­rent van de Neder­landse AI-fabriek. Juist als mogelijke volgende schakel.

De Nederlandse AI-fabriek is meer dan alleen een grote computer

Om die positi­o­ne­ring goed te begrijpen, moeten we eerst af van het beeld dat de Neder­landse AI-fabriek vooral een super­com­pu­ter­pro­ject is.

De Neder­landse AI-fabriek bestaat uit twee belang­rijke onder­delen: een gespe­ci­a­li­seerde AI-super­com­puter en een exper­ti­se­cen­trum. De super­com­puter is bedoeld voor het ontwik­kelen, trainen en fine-tunen van geavan­ceerde AI-modellen. Het exper­ti­se­cen­trum onder­steunt organi­sa­ties bij het ontwik­kelen van bruik­bare en verant­woorde toepassingen.

Dat is een wezen­lijk andere rol dan een commer­ciële cloudom­ge­ving. De toegang is primair gericht op ontwik­ke­ling, training en R&D. Daarmee ontstaat vanzelf de vervolg­vraag: wat gebeurt er wanneer een AI-model is ontwik­keld, getraind, getest en gevali­deerd en vervol­gens 24 uur per dag onder­deel moet worden van het bedrijfs­proces van de gebruiker?

Daar begint een ander infrastructuurvraagstuk.

Van AI Factory naar AI Production

Stel dat een Neder­lands maakbe­drijf via de AI-fabriek een model ontwik­kelt voor visuele kwali­teits­con­trole. Of een zieken­huis ontwik­kelt een eigen medische taaltoe­pas­sing. Een logis­tiek bedrijf bouwt een AI-model voor planning. Een overheids­or­ga­ni­satie ontwik­kelt een soeve­reine document-assis­tent. Of een industrieel bedrijf ontwik­kelt een model voor predic­tive maintenance op basis van sensoren en histo­ri­sche productiedata.

In de ontwik­kel­fase is centrale toegang tot krach­tige AI-compute zeer waardevol. Maar wanneer het model succesvol is, veran­dert de vraag.

Dan gaat het niet langer primair om: kunnen we dit model trainen? Maar om: hoe draaien we dit betrouw­baar, veilig, econo­misch en schaal­baar binnen onze dagelijkse operatie?

Dan worden latency, beschik­baar­heid, cyber­se­cu­rity, energie­ge­bruik, SLA’s, eigenaar­schap, kosten, opera­ti­o­nele data en levens­cy­clus­ma­na­ge­ment belang­rijk. En bij veel toepas­singen wordt ook de vraag relevant of organi­sa­ties hun opera­ti­o­nele data perma­nent naar een externe cloudom­ge­ving willen sturen.

Voor geregu­leerde sectoren, industrie, zorg, overheid, finan­ciële dienst­ver­le­ning en organi­sa­ties met hoogwaar­dige intel­lec­tuele eigendom is dat niet alleen een techno­lo­gi­sche vraag. Het kan een strate­gi­sche, juridi­sche en procure­ment­vraag zijn.

Daarmee ontstaat een ontbre­kende fysieke brug tussen AI-devel­op­ment en produc­tion inference.

NLAIF → SOLOAI → klant

Een mogelijke archi­tec­tuur zou daarom veel verder kunnen gaan dan alleen: Neder­landse AI-fabriek → AI-model.

De volle­dige keten kan worden: Neder­landse AI-fabriek → ontwik­ke­ling → training → fine-tuning → validatie → SOLOAI staging → deploy­ment → lokale/​private inference → bedrijfswaarde.

Binnen die keten blijft de Neder­landse AI-fabriek doen waar zij voor is opgezet: toegang bieden tot geavan­ceerde compute, kennis, exper­tise, experi­men­tatie en ontwikkeling.

SOLOAI richt zich vervol­gens op een ander deel van de levens­cy­clus: het fysiek opera­ti­o­neel maken van inference-capaciteit.

Dat onder­scheid is belang­rijk. SOLOAI moet daarom niet worden geposi­ti­o­neerd als ‘wij hebben ook een AI-datacenter’ en al helemaal niet als ‘wij kunnen de Neder­landse AI-super­com­puter vervangen’.

De sterkere positi­o­ne­ring is: SOLOAI kan de fysieke deploy­ment­laag worden tussen een succes­volle AI-ontwik­ke­ling en productie-inference bij de organi­satie die de AI daadwer­ke­lijk gebruikt.

Dat is in essentie compute mobility from innova­tion to production.

Train centrally. Deploy where it makes sense.

Daarmee ontstaat een veel interes­san­tere Europese AI-architectuur.

Niet iedere organi­satie hoeft zelf een trainings­cluster te bouwen. Grote modellen kunnen centraal worden ontwik­keld en getraind binnen NLAIF, andere Europese AI Facto­ries of commer­ciële AI-infrastructuur.

Maar het eenmaal ontwik­kelde model kan vervol­gens draaien waar dat opera­ti­o­neel het meest logisch is: bij een onder­ne­ming, op een industrieel terrein, in een regio­nale AI-hub, bij een zorgcluster, naast een grote databron, in een sovereign cloudom­ge­ving of op een locatie waar elektri­ci­teit, glasvezel én een goede bestem­ming voor restwarmte aanwezig zijn.

De archi­tec­tuur wordt daarmee: train centrally → validate → deploy selec­ti­vely → infer locally or regionally.

Niet omdat lokaal altijd beter is, maar omdat de optimale locatie voor training niet automa­tisch de optimale locatie voor inference is.

Inference verandert de economische logica van AI-infrastructuur

Bij zeer grote training geldt een sterke schaalwet. Duizenden accele­ra­tors moeten tegelij­ker­tijd samen­werken. Netwerk­ar­chi­tec­tuur, inter­con­nects, storage throughput en zeer hoge vermo­gens­dicht­heden zijn daarbij essentieel.

Inference is veel gevari­eerder. Een inference-workload kan bestaan uit een knowledge assis­tant die documenten doorzoekt, een computer-vision­model dat produc­tie­lijnen bewaakt, agents die admini­stra­tieve processen automa­ti­seren of een enter­prise-LLM dat honderden of duizenden medewer­kers ondersteunt.

Niet iedere workload heeft dezelfde GPU, dezelfde latency of dezelfde vermo­gens­dicht­heid nodig. Daarom moeten we oppassen dat de infra­struc­tuur voor de inferen­ce­markt niet wordt ontworpen volgens het principe: meer GPU’s, meer MW’s en meer kW per rack is per definitie beter.

Voor SOLOAI geldt juist het tegen­over­ge­stelde principe: less is more — zolang perfor­mance, beschik­baar­heid en toekomst­be­sten­dig­heid geborgd blijven.

De huidige ontwerp­fi­lo­sofie gaat uit van modulaire confi­gu­ra­ties in het gebied van ongeveer 0,3 tot maximaal 1,2 MW IT-load. Daarbij is 1,2 MW een maximale workload-envelope, niet het totale netaan­sluit­ver­mogen. Ook zeer hoge rackdicht­heden moeten als ontwerp- en kwali­fi­catie-envelope worden gezien en niet als doel op zichzelf.

Een infra­struc­tuur mag voorbe­reid zijn op zeer hoge dicht­heden zonder dat iedere klant die capaci­teit vanaf dag één moet installeren.

Waarom die modulaire benadering juist nu relevant wordt

De Neder­landse AI-fabriek laat ook zien waarom dit vraag­stuk belang­rijk wordt. De AI-hardwa­re­markt veran­dert razend­snel. Hardware wordt krach­tiger, duurder, schaarser en veran­dert boven­dien sneller van generatie dan de fysieke infra­struc­tuur eromheen.

Dat illustreert een struc­tu­reel probleem van de hele AI-markt: compute-techno­logie veran­dert veel sneller dan fysieke infrastructuur.

Een GPU-generatie kan econo­misch binnen enkele jaren worden ingehaald. Een goed ontworpen elektri­sche instal­latie, constructie, koelin­fra­struc­tuur en warmte-inter­face moet veel langer meegaan.

Het is daarom onlogisch om een complete fysieke asset iedere keer mee te laten verou­deren met de geïnstal­leerde IT.

SOLOAI wordt juist vanuit dat principe ontwik­keld: de fysieke infra­struc­tuur­laag moet meerdere genera­ties compute kunnen overleven. Racktech­no­logie, GPU’s, CDUs, direct-to-chipkoe­ling, immersion-techno­logie, sensoren en elektri­sche compo­nenten moeten binnen gecon­tro­leerde inter­faces kunnen worden vervangen of opnieuw gekwa­li­fi­ceerd zonder dat de volle­dige asset opnieuw moet worden ontworpen.

Dat maakt de infra­struc­tuur niet hardware-onafhan­ke­lijk in absolute zin. Iedere hardwa­re­wij­zi­ging moet technisch worden gevali­deerd. Maar het ontwerp kan wel accele­rator- en techno­lo­gie­flexibel worden gemaakt.

Van stranded capacity naar progressive provisioning

Ook finan­cieel heeft dat gevolgen. Tradi­ti­o­nele datacen­ter­ont­wik­ke­ling kent het risico dat grote hoeveel­heden vermogen, koeling en elektri­sche appara­tuur vooraf worden geïnstal­leerd terwijl de daadwer­ke­lijke IT-belas­ting pas later volgt.

Bij snel veran­de­rende AI-hardware wordt dat risico groter. Daarom is progres­sive provi­si­o­ning voor inference interessant.

Een SOLOAI kan bijvoor­beeld vanuit een eerste deelbe­las­ting groeien wanneer daadwer­ke­lijk workloads, klanten of contrac­tuele capaci­teit beschik­baar komen. De vaste infra­struc­tuur wordt voorbe­reid op verdere groei, maar actieve compo­nenten hoeven niet allemaal vooraf te worden geïnstalleerd.

De vraag wordt dan niet: hoeveel GPU’s kunnen we vandaag maximaal kopen? Maar: hoe ontwerpen we een infra­struc­tuur waarin we gedurende de komende tien of vijftien jaar steeds de econo­misch meest geschikte compute kunnen plaatsen?

Juist hier sluit het ABN AMRO-rapport aan

ABN AMRO laat zien dat klassieke datacen­ter­ont­wik­ke­ling steeds sterker wordt beperkt door de locatie.

Netcon­gestie is volgens het rapport inmid­dels een van de belang­rijkste selec­tie­cri­teria. Neder­land heeft in de Europese verge­lij­king een zeer hoog netcon­gestie­ri­sico, terwijl het land tegelij­ker­tijd uitzon­der­lijk sterk scoort op digitale infra­struc­tuur en digitale concurrentiekracht.

Dat lijkt een paradox. Neder­land heeft precies de onder­ne­mingen, kennis, connec­ti­vi­teit en digitale infra­struc­tuur die nodig zijn om AI econo­misch te benutten. Maar juist op de plaatsen waar die econo­mi­sche activi­teit gecon­cen­treerd is, wordt grote nieuwe elektri­sche capaci­teit moeilijker beschikbaar.

Een mogelijke oplos­sing is daarom niet uitslui­tend nog grotere datacen­ters zoeken op locaties waar tientallen of honderden megawatts beschik­baar zijn.

Voor een deel van de inference-markt kunnen we ook andersom redeneren: waar bevinden zich beschik­bare energie, glasvezel, gebrui­kers, data en poten­tiële warmte­af­ne­mers — en hoeveel inference-capaci­teit past daar verant­woord bij?

Dat is een andere benade­ring van locatieontwikkeling.

SOLOAI creëert geen netcapaciteit

Daar hoort wel een belang­rijke nuance bij. Een modulaire AI-infra­struc­tuur lost netcon­gestie niet magisch op. Als op een locatie geen elektri­ci­teit beschik­baar is, kan SOLOAI daar geen megawatt uit het niets creëren.

Dat is ook niet de claim.

De mogelijke waarde zit juist in het kunnen aanpassen aan verschil­lende locaties en in het voorkomen dat iedere AI-toepas­sing afhan­ke­lijk wordt gemaakt van één enorme centrale aansluiting.

SOLOAI kan worden ontworpen om rekening te houden met beschik­bare netca­pa­ci­teit, lokale hernieuw­bare productie, batte­rij­op­slag, glasvezel, koelcon­di­ties en lokale warmtevraag.

Daarmee verschuift het model van: zoek 100 MW en bouw daarom­heen, naar: zoek de juiste combi­natie van workload, energie, locatie en nuttige output.

Voor inference kan dat een belang­rijk verschil worden.

Van NLAIF staging naar productie bij de klant

Een van de meest interes­sante vervolgstappen is het concept van een AI Deploy­ment Zone. Niet als reeds afgesproken onder­deel van NLAIF, maar als een concept dat met het ecosys­teem onder­zocht zou kunnen worden.

Stel dat een organi­satie via het NLAIF-exper­ti­se­cen­trum een succes­volle AI-toepas­sing heeft ontwik­keld. Het model is getest. De securi­ty­ar­chi­tec­tuur is bepaald. De inferen­ce­be­hoefte is bekend.

Dan kan een SOLOAI-confi­gu­ratie fysiek of opera­ti­o­neel worden gestaged. Daar worden hardware, softwa­re­om­ge­ving, security, workload, koeling, energie­pro­fiel, monito­ring en perfor­mance samen getest.

Daarna wordt dezelfde gestan­daar­di­seerde infra­struc­tuur naar de uitein­de­lijke produc­tie­lo­catie gebracht of volgens dezelfde gevali­deerde confi­gu­ratie elders opgebouwd.

De gedachte is dan: develop → train → validate → stage → deploy → operate.

Dat maakt van AI-compute als het ware een deploy­able asset. De innovatie zit dan niet alleen in de verplaats­bare box. De innovatie zit in het gestan­daar­di­seerde proces waarmee een AI-workload vanuit een ontwik­kelom­ge­ving naar opera­ti­o­nele productie wordt gebracht.

De Nederlandse AI-fabriek kan daardoor méér economische impact creëren

Dat kan ook voor NLAIF interes­sant zijn.

Het succes van een AI Factory moet uitein­de­lijk niet alleen worden gemeten aan het aantal modellen dat is getraind, het aantal GPU-uren dat is gebruikt of het aantal organi­sa­ties dat toegang heeft gekregen.

De echte econo­mi­sche en maatschap­pe­lijke impact ontstaat pas wanneer toepas­singen daadwer­ke­lijk in productie komen.

Een model dat na een pilot op de plank blijft liggen, levert weinig produc­ti­vi­teits­groei op. Een model dat veilig en econo­misch onder­deel wordt van een zieken­huis, fabriek, overheids­dienst of mkb-onder­ne­ming wel.

Daarom zou naast de klassieke AI Factory ook het begrip AI Produc­tion Factory interes­sant kunnen worden. Niet als nieuw gebouw, maar als keten.

De Neder­landse AI-fabriek creëert succes­volle AI-toepas­singen. Een deploy­ment­laag brengt ze naar productie. De klant gebruikt ze. En vervol­gens meten we of zij daadwer­ke­lijk waarde leveren.

Dat is uitein­de­lijk de stap van innovatie naar econo­misch verdienvermogen.

Er blijft bovendien een heldere publieke en commerciële scheiding

Juist de rolver­de­ling kan daarbij relatief zuiver blijven.

NLAIF heeft een publieke en strate­gi­sche functie rondom AI-exper­tise, toegang tot compute, onder­zoek, training, fine-tuning, validatie, respon­sible AI en het onder­steunen van innova­tieve organisaties.

SOLOAI kan een commer­ciële fysieke infra­struc­tuur­laag vormen voor productie, deploy­ment, exploi­tatie, onder­houd, upgrades en SLA’s.

De propo­sitie hoeft dus nadruk­ke­lijk niet te zijn: ‘NLAIF moet SOLOAI’s kopen.’

Een veel interes­san­tere vraag is: kan het NLAIF-ecosys­teem een gestan­daar­di­seerde route ontwik­kelen waarmee succes­volle Neder­landse AI-toepas­singen na validatie naar soeve­reine productie-inference worden gebracht?

En kan SOLOAI daarin één van de fysieke deploy­ment­op­ties worden?

Dat is naar mijn mening een veel sterker gesprek.

Zirrow kan de bewijslaag over de hele keten worden

Maar fysieke deploy­ment alleen is niet genoeg.

We moeten voorkomen dat we een nieuwe generatie AI-datacen­ters bouwen en uitein­de­lijk opnieuw vooral meten hoeveel elektri­ci­teit het gebouw binnengaat.

PUE blijft relevant, maar vertelt weinig over de vraag of de IT de energie ook daadwer­ke­lijk produc­tief gebruikt.

Bij inference wordt dat steeds belang­rijker. Twee infra­struc­turen kunnen dezelfde PUE hebben, terwijl de ene aanzien­lijk meer bruik­bare AI-output per kWh levert dan de andere.

Daar komt Zirrow in beeld.

Zirrow kan worden geposi­ti­o­neerd als een onafhan­ke­lijke Real-Data Evidence Layer die gegevens over energie, water, kosten, benut­ting, gover­nance en workload-perfor­mance met elkaar verbindt. Het uitgangs­punt is daadwer­ke­lijke opera­ti­o­nele data in plaats van alleen gemid­delden of theore­ti­sche nameplatewaarden.

Dat kan in combi­natie met NLAIF bijzonder interes­sant worden.

Van modelbenchmark naar operationele benchmark

Tijdens ontwik­ke­ling en training meten we allerlei AI-indica­toren: nauwkeu­rig­heid, latency, model­kwa­li­teit, geheu­gen­ge­bruik, tokens per seconde en GPU-performance.

Maar na deploy­ment ontstaat een andere set vragen. Wat kost deze workload per dag? Hoeveel energie wordt werke­lijk gebruikt? Wat is het energie­ver­bruik per trans­actie of per miljoen tokens? Hoeveel van de GPU-capaci­teit wordt daadwer­ke­lijk benut? Wanneer staat hardware groten­deels idle? Wat is de latency onder echte bedrijfsbelasting?

Wat gebeurt er met perfor­mance wanneer vermogen tijde­lijk wordt begrensd? Hoeveel warmte wordt gepro­du­ceerd? Hoeveel daarvan wordt technisch opgevangen? En hoeveel daarvan wordt daadwer­ke­lijk door een externe afnemer gebruikt?

Daarmee kan Zirrow zorgen voor een conti­nuüm van bewijs: van technisch gevali­deerd model naar aantoon­baar effici­ënte productie.

Van PUE naar useful AI output

We moeten in digitale infra­struc­tuur uitein­de­lijk meer gaan sturen op nuttige output per gebruikte resource.

Voor AI kan dat bijvoor­beeld betekenen dat — waar de inter­faces dat toelaten — energie en kosten worden gerela­teerd aan workload, trans­actie, inference, tokens, latency en SLA.

Dat is een belang­rijke volgende stap. Want een AI-infra­struc­tuur die weinig energie aan koeling besteedt maar waarvan de accele­ra­tors een groot deel van de tijd niets nuttigs doen, kan moeilijk optimaal duurzaam worden genoemd.

Een effici­ënte machine die ineffi­ciënt werk uitvoert, blijft verspilling.

Ook restwarmte moet bewijsbaar worden

ABN AMRO benadrukt daarnaast het toene­mende belang van water­ge­bruik, energie, ruimte en lokaal draagvlak.

Hetzelfde geldt voor restwarmte. In veel duurzaam­heids­ver­halen wordt gezegd dat warmte ‘beschik­baar is voor herge­bruik’. Maar beschik­baar zijn en daadwer­ke­lijk worden gebruikt zijn twee verschil­lende dingen.

Een evidence-laag moet daarom onder­scheid kunnen maken tussen warmte die wordt opgevangen, warmte die wordt overge­dragen aan een externe inter­face en warmte die vervol­gens aantoon­baar nuttig wordt gebruikt.

Dat lijkt een detail. Maar precies daar zit het verschil tussen duurzaam­heids­mar­ke­ting en bewijs.

Locatiekeuze verandert daarmee fundamenteel

Wanneer we SOLOAI en Zirrow combi­neren met de lessen van ABN AMRO ontstaat uitein­de­lijk een andere methode voor de selectie van AI-locaties.

ABN AMRO beoor­deelt locaties onder andere op elektri­ci­teits­be­schik­baar­heid, netcon­gestie, stroom­prijs, hernieuw­bare energie, digitale infra­struc­tuur, arbeids­markt, grond, water­stress, klimaat, regel­ge­ving, data-soeve­rei­ni­teit en nabij­heid van gebruikers.

Voor distri­buted inference kun je daar een extra dimensie aan toevoegen: waar levert een MW AI-compute de meeste econo­mi­sche en maatschap­pe­lijke waarde?

Een locatie waar 1 MW beschik­baar is naast een industriële onder­ne­ming met grote lokale AI-workloads en een perma­nente warmte­vraag kan econo­misch interes­santer zijn dan een locatie waar 10 MW goedkope stroom beschik­baar is maar alle data, gebrui­kers en warmte­af­ne­mers honderden kilome­ters verderop zitten.

Niet voor iedere workload. Maar voor sommige wel. En dat onder­scheid wordt in de komende jaren steeds belangrijker.

Nederland heeft daarvoor juist een interessante uitgangspositie

ABN AMRO plaatst Neder­land ondanks de zeer hoge netcon­gestie hoog in zijn Europese verge­lij­king van vesti­gings­cri­teria voor datacen­ters. Neder­land combi­neert zijn problemen op het elektri­ci­teitsnet met een uitzon­der­lijk sterke digitale infra­struc­tuur en nabij­heid van gebrui­kers en econo­mi­sche activiteit.

We hoeven Scandi­navië daarom niet te kopiëren. Voor hypers­cale kan goedkope ruimte en overvloe­dige duurzame elektri­ci­teit een enorm voordeel zijn. Maar voor een deel van de inference-markt heeft Neder­land andere sterke kaarten.

We hebben een zeer hoge digitale dicht­heid, sterke glasve­zel­con­nec­ti­vi­teit, univer­si­teiten, SURF, TNO, een groot AI-ecosys­teem, highte­ch­in­du­strie, zorgin­stel­lingen, finan­ciële instel­lingen, logis­tiek, energie­clus­ters, glastuin­bouw en veel econo­mi­sche activi­teit op relatief korte afstand van elkaar.

En straks NLAIF als belang­rijke natio­nale AI-ontwikkelinfrastructuur.

Dat kan samen een heel andere infra­struc­tuur­stra­tegie opleveren dan uitslui­tend proberen de grootste AI-campus te bouwen.

Een Nederlandse sovereign AI stack

De Neder­landse AI-fabriek moet daarom niet worden beoor­deeld op de vraag of Neder­land daarmee de Verenigde Staten of China kan verslaan in absolute GPU-aantallen. Dat is de verkeerde benchmark.

De kracht ligt juist in de combi­natie. SURF brengt infra­struc­tuur en super­com­pu­ting. TNO brengt toege­paste AI en het exper­ti­se­cen­trum. AIC4NL verbindt het ecosys­teem. Samen­wer­king Noord verbindt regio­nale gebrui­kers en econo­mi­sche ontwik­ke­ling. De Neder­landse AI-fabriek brengt dedicated AI-compute.

Voeg daar een private en regio­nale produc­tion-inference-laag aan toe en er ontstaat iets strate­gisch veel interes­san­ters: een Neder­landse sovereign AI stack.

Niet één computer. Maar een keten.

Van nationale AI-infrastructuur naar Europees model

De Neder­landse AI-fabriek maakt deel uit van het Europese netwerk van AI Facto­ries. Wanneer het concept van gestan­daar­di­seerde produc­tion deploy­ment werkt, kan hetzelfde model daarom theore­tisch worden gerepliceerd.

European AI Factory → training en ontwik­ke­ling. SOLOAI deploy­ment infra­struc­ture → produc­ti­sa­tion en staging. Regio­nale of private locatie → produc­tion inference. Zirrow → onafhan­ke­lijke opera­ti­o­nele evidence.

NLAIF kan dan een Neder­landse pilotom­ge­ving zijn voor een concept dat uitein­de­lijk breder binnen Europa toepas­baar is.

Dat is veel interes­santer dan SOLOAI alleen als een trans­por­teer­baar datacenter te presen­teren. De box is het fysieke product. De echte propo­sitie is de overgang: from national AI compute to local AI operations.

De concurrent van SOLOAI is daarom niet NLAIF

Dat brengt mij bij de belang­rijkste positioneringskeuze.

SOLOAI moet niet proberen de Neder­landse AI-fabriek te verslaan. Ook niet de Europese AI Facto­ries of Gigaf­ac­to­ries. En ook niet proberen een kleinere hypers­caler te worden.

Die markten hebben andere schaal­voor­delen en een andere functie.

SOLOAI richt zich juist op private, secto­rale en regio­nale infra­struc­tuur voor enter­prise inference, RAG, agents, geregu­leerde AI, AI-assisted enginee­ring en geselec­teerde fine-tuning, met een modulaire fysieke deployment.

De AI Factory bevindt zich voorna­me­lijk upstream. SOLOAI kan zich downstream positioneren.

Dat maakt samen­wer­king veel logischer dan concurrentie.

De echte concurrent is de oude manier van denken

De funda­men­tele concur­rent is misschien zelfs helemaal geen speci­fiek bedrijf.

Het is het idee dat iedere nieuwe digitale toepas­sing uitein­de­lijk vraagt om een groter gebouw, meer grond, meer gecon­trac­teerd vermogen, meer koeling, meer hardware, en dat we daarna wel kijken wat er met de energie en warmte gebeurt.

Voor de volgende generatie AI-infra­struc­tuur kunnen we beter precies andersom beginnen.

Welke workload willen we uitvoeren? Welke perfor­mance is daarvoor werke­lijk nodig? Welke data mogen waar komen? Hoeveel capaci­teit moet direct beschik­baar zijn? Welke capaci­teit kan later worden toege­voegd? Welke energie is lokaal beschik­baar? Welke workloads zijn flexibel? Welke koeling past bij de hardware? Kan de warmte lokaal nuttig worden gemaakt? Kan de fysieke infra­struc­tuur meerdere IT-genera­ties meegaan? En kunnen we al die presta­ties vervol­gens objec­tief meten?

Pas daarna bepalen we hoeveel infra­struc­tuur we werke­lijk nodig hebben.

Meer AI-waarde per beschikbare megawatt

Daarmee kom ik terug bij de conclusie van ABN AMRO. Europa’s uitda­ging is niet uitslui­tend meer datacen­ters bouwen. We moeten digitale groei combi­neren met energie­ze­ker­heid, maatschap­pe­lijke accep­tatie en concurrentiekracht.

Voor mij betekent dat dat we niet alleen moeten discus­si­ëren over hoeveel MW AI Neder­land nodig heeft, maar vooral over hoeveel econo­mi­sche, maatschap­pe­lijke en digitale waarde we uit iedere beschik­bare MW kunnen halen.

De Neder­landse AI-fabriek kan daarbij een essen­tiële rol vervullen aan het begin van de keten. Daar kan AI worden ontwik­keld, getraind, getest en gevalideerd.

SOLOAI kan vervol­gens worden onder­zocht als mogelijke fysieke infra­struc­tuur­laag waarmee succes­volle workloads vanuit die ontwik­kelom­ge­ving naar productie worden gebracht.

En Zirrow kan aantoon­baar maken wat er daarna werke­lijk gebeurt: hoeveel energie wordt gebruikt, hoe goed hardware wordt benut, welke perfor­mance wordt geleverd, wat de workload werke­lijk kost, hoeveel water nodig is, hoeveel warmte daadwer­ke­lijk wordt herge­bruikt en hoeveel nuttige AI-output uitein­de­lijk tegen­over de gebruikte resources staat.

Dan ontstaat een compleet andere benade­ring van AI-infrastructuur.

Niet: train every­thing centrally and keep adding capacity.

Maar: develop centrally where schaal nodig is. Deploy selec­ti­vely waar productie logisch is. Measure every­thing that matters.

Of nog korter: Train centrally. Deploy intel­li­gently. Prove the performance.

Volgens mij kan juist daar een onder­schei­dende positie ontstaan voor Neder­land — en mogelijk ook voor SOLOAI en Zirrow.

Niet door de grootste AI-fabriek van Europa te willen bouwen. Maar door een infra­struc­tuur­model te ontwik­kelen waarmee de kennis en reken­kracht van de AI Factory daadwer­ke­lijk, efficiënt en aantoon­baar worden omgezet in produc­tion AI bij Europese organisaties.

Marco Verzijl

Marco Verzijl

Marco Verzijl is voorzitter van de Save Energy Foundation en bestuurder bij Wcoolit BV en Zirrow BV

0 Reactie(s)

4 weergaven

0 Reactie(s)

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reacties gesloten

De reactiemogelijkheid is verlopen. (14 dagen)

Nieuwsbrief

Pin It on Pinterest

Share This