28 september 2026

0 Reactie(s)

28 september 2026

Open hardware versus traditionele servers: waar zit de winst werkelijk?

Open hardware wordt vaak in één adem genoemd met lagere kosten, minder energie­ge­bruik en een langere levens­duur. Maar hoe groot zijn die voordelen in de praktijk? Wie de beschik­bare metingen en onder­zoeken naast elkaar legt, ziet een genuan­ceerd beeld. Vooral op het gebied van energie­ge­bruik, koeling, onder­houd en levens­duur zijn duide­lijke voordelen aantoon­baar. Bij pure reken­pres­ta­ties is het beeld minder specta­cu­lair: open hardware is niet automa­tisch sneller, maar kan dezelfde presta­ties soms wel met minder energie en infra­struc­tuur leveren.

Een van de meest bruik­bare praktijk­me­tingen komt van RTB House. Het bedrijf gebruikt zowel tradi­ti­o­nele servers als systemen volgens de speci­fi­ca­ties van het Open Compute Project (OCP). Daardoor kon het vrijwel verge­lijk­bare machines onder produc­tie­be­las­ting naast elkaar zetten. De verge­lij­king uit 2024 omvatte één Gigabyte TO25-Z11 OCP-server en twee tradi­ti­o­nele ASUS RS520A-E12-systemen. Alle drie waren uitge­rust met een AMD EPYC 9684X-processor en 1,5 TB DDR5-geheugen. De netwerkadap­ters waren eveneens verge­lijk­baar. Volgens RTB House verdeelde het platform de workload op basis van het type CPU, zodat systemen met dezelfde processor gedurende de onder­zochte periode verge­lijk­baar werden belast.

50 tot 100 watt verschil

Het opval­lendste resul­taat zat niet in de presta­ties, maar in het energie­ge­bruik. De OCP-server gebruikte tijdens de meting volgens RTB House ongeveer 50 tot 100 watt minder dan de twee conven­ti­o­nele ASUS-machines. De CPU-tempe­ra­tuur lag boven­dien ongeveer 15 graden Celsius lager. RTB House schrijft tegelij­ker­tijd dat de drie systemen bij verge­lijk­bare belas­ting geen beteke­nisvol perfor­man­ce­ver­schil lieten zien. Met andere woorden: de energie­winst werd in deze speci­fieke verge­lij­king niet veroor­zaakt door de processor langzamer te laten draaien.

Dat laatste is belang­rijk. De tradi­ti­o­nele servers waren boven­dien niet simpelweg minder goed gecon­fi­gu­reerd. RTB House schrijft dat het de fan- en power­curves van de ASUS-systemen vooraf had aange­past. Daarmee werd al ongeveer 70 watt van hun oorspron­ke­lijke stroom­ver­bruik wegge­haald. Ook na die optima­li­satie bleef de OCP-server nog 50 tot 100 watt lager zitten.

Het Duitse datacenter- en cloud­be­drijf ScaleUp Techno­lo­gies past eveneens zowel tradi­ti­o­nele als OCP-servers toe. In de door dit bedrijf gehan­teerde documen­tatie rekent het bedrijf met het midden van die bandbreedte van 50 tot 100 watt: 75 watt per node. Bij 40 nodes betekent dat ongeveer 3 kW continu vermogen. Bij 24 uur per dag en 365 dagen per jaar komt dat neer op 26 280 kWh. Bij een elektri­ci­teits­prijs van €0,20 per kWh is dat circa €5256 per rack per jaar.

Die bereke­ning klopt reken­kundig, maar het is wel belang­rijk om onder­scheid te maken tussen de oorspron­ke­lijke meting en de extra­po­latie: RTB House heeft die jaarlijkse bespa­ring van €5256 niet zelf gemeten. ScaleUp heeft de gemeten 50 – 100 watt per node doorge­re­kend naar een vol rack. Bij de volle­dige RTB-bandbreedte zouden 40 servers theore­tisch ongeveer €3504 tot €7008 per jaar besparen bij dezelfde elektri­ci­teits­prijs. Dit veron­der­stelt uiter­aard dat het gemeten verschil continu aanwezig blijft. Werke­lijke bespa­ringen hangen af van workload, bezet­tings­graad, server­con­fi­gu­ratie, elektri­ci­teits­prijs en bedrijfs­tijd. Ondanks deze kantte­ke­ningen schetst het natuur­lijk wel een interes­sant beeld van de besparingsmogelijkheden.

Waar komt die besparing vandaan?

Het verschil zit voor een belang­rijk deel in de archi­tec­tuur rondom CPU, geheugen en storage. Een tradi­ti­o­nele rackserver bevat meestal eigen redun­dante voedingen, een relatief gesloten chassis en kleine venti­la­toren. OCP verplaatst verschil­lende functies naar rackni­veau. Een centrale power shelf kan bijvoor­beeld meerdere nodes via een busbar voeden.

Daarmee verdwijnen nogal wat indivi­duele voedingen uit een rack. Boven­dien kunnen grotere voedingen dichter bij hun optimale belas­ting­s­punt functi­o­neren. In de OCP-speci­fi­catie “Open Rack V3” wordt onder andere met 48 volt DC-distri­butie gewerkt. OCP legt uit dat een verho­ging van 12 naar 48 volt de stroom­sterkte bij hetzelfde vermogen met een factor vier vermin­dert. Omdat gelei­dings­ver­liezen evenredig zijn met het kwadraat van de stroom, kunnen die verliezen in theorie met een factor zestien dalen.

Ook de koeling wijkt bij gebruik van OCP-servers af. Een klassiek 1U-systeem moet veel warmte door een zeer lage behui­zing afvoeren en gebruikt daarvoor relatief kleine, snel draai­ende venti­la­toren. Al bij de eerste generatie Open Compute-servers koos Facebook voor een hoger chassis, grotere heats­inks en 80 mm-fans. Volgens de oorspron­ke­lijke techni­sche documen­tatie gebruikten die venti­la­toren destijds 2 tot 4 procent van het totale server­ver­mogen, tegen­over 10 tot 20 procent voor de volgens Facebook gangbare tradi­ti­o­nele servers uit die periode.

Die cijfers zijn inmid­dels echter wel vijftien jaar oud en mogen daarom niet één-op-één op moderne enter­prise-servers worden toege­past. Moderne OEM-systemen zijn aanzien­lijk effici­ënter geworden. Het techni­sche principe is echter hetzelfde gebleven: grotere fans, minder obstructie van de lucht­stroom en minder conver­sie­stappen kunnen het energie­ge­bruik buiten de CPU zelf verlagen.

ScaleUp zegt op basis van eigen tests dat bij bepaalde OCP-confi­gu­ra­ties een energie­be­spa­ring van ongeveer 15 tot 20 procent mogelijk is ten opzichte van tradi­ti­o­nele 19-inch servers. ScaleUp verkoopt zelf ook OCP-hardware, dus die vaststel­ling kunnen we niet direct zien als een onafhan­ke­lijk bench­mar­kre­sul­taat. De RTB House-meting biedt daarvoor een nutti­gere onafhan­ke­lijke praktijkcontrole.

Niet zozeer sneller, wel meer performance per watt

Er is nauwe­lijks onder­zoek dat aangeeft dat open hardware meer reken­pres­ta­ties zou leveren. Dat is op zich ook wel logisch. Wanneer een OCP-node en een Dell‑, HPE- of ASUS-server dezelfde processor en hetzelfde geheugen gebruiken, wordt de maximale reken­pres­tatie vooral door die compo­nenten bepaald. Het voordeel zit eerder in perfor­mance per watt en in de hoeveel­heid compute die binnen een bepaald rack- of energie­budget kan worden geplaatst.

Dat onder­scheid is volgens Jeroen Burks belang­rijk. Burks is EMEA co-lead bij OCP en tevens betrokken bij ScaleUp. Hij vat de filosofie achter OCP samen als: “Open specs, multi-vendor procure­ment, modular design. Het optima­li­sa­tie­punt verschuift bij open hardware zoals OCP die heeft gedefi­ni­eerd van de afzon­der­lijke server naar het rack. Wie per server bijvoor­beeld 75 watt overhead verwij­dert, kan binnen een gelijk­blij­vend vermo­gens­budget meer compute-capaci­teit plaatsen.”

Meta liet al bij de intro­ductie van OCP in 2011 zien hoe groot het verschil op datacen­ter­ni­veau kan worden wanneer server‑, power- en coolingar­chi­tec­tuur samen worden ontworpen. Het toen nieuwe Prine­ville-datacenter gebruikte volgens Meta 38 procent minder energie voor dezelfde hoeveel­heid werk en kostte 24 procent minder dan de bestaande datacen­ter­ar­chi­tec­tuur van Facebook. Dat is uiter­aard géén zuivere server-tegen-server­ver­ge­lij­king: ook koeling, elektri­ci­teits­dis­tri­butie en UPS-archi­tec­tuur waren anders. Het laat wel zien dat open hardware vooral interes­sant wordt wanneer de hele infra­struc­tuur als één systeem wordt bekeken.

Kosten zitten niet alleen in aanschaf

Bij aanschaf­prijzen is de onder­bou­wing minder hard. Burks stelt dat de aanschaf­prijs van OCP-servers doorgaans verge­lijk­baar is met tradi­ti­o­nele servers en soms iets lager ligt. “Dat kan per fabri­kant, confi­gu­ratie en volume aanzien­lijk verschillen en moet daarom niet als univer­sele regel worden gezien.”

Interes­santer is echter wel de Total Cost of Owner­ship. OCP probeert kosten te verlagen door het toepassen van minder indivi­duele voedingen, minder bekabe­ling, eenvou­diger onder­houd en vendor-onafhankelijke(re) compo­nenten. Tegelijk ontstaan ook nieuwe kosten. Een organi­satie moet OCP-hardware valideren, perso­neel opleiden en mogelijk de bestaande rack‑, power- of cooling­in­fra­struc­tuur aanpassen. Daardoor is de busines­scase bij een klein aantal servers minder vanzelf­spre­kend dan bij gebruik van tientallen of honderden nodes. ScaleUp schrijft in zijn documen­tatie dan ook dat vooral middel­grote en grote deploy­ments profi­teren. Het bedrijf noemt een mogelijke terug­ver­dien­tijd van twee tot drie jaar.

Burks legt zelf sterker de nadruk op controle over de infra­struc­tuur. In een post op LinkedIn over open hardware schrijft hij: “Geen vendor lock-in meer en – zoals wij zeggen – ‘no more features behind a paywall’.”

Dat is moeilijker in euro’s uit te drukken, maar voor datacen­ters natuur­lijk wel erg relevant. Als voedingen, manage­men­tin­ter­faces en mecha­ni­sche onder­delen uitwis­sel­baar zijn tussen verschil­lende leveran­ciers, kunnen procure­ment en spare-partstra­tegie flexi­beler worden.

Levensduur wordt steeds belangrijker

Een recente weten­schap­pe­lijke studie voegt nog een dimensie toe. Deborah Andrews en Kristina Kerwin publi­ceerden begin 2026 in “Mineral Econo­mics” een peer-reviewed verge­lij­king tussen een tradi­ti­o­nele enter­prise-server en een proto­type dat speci­fiek voor circu­la­ri­teit was ontworpen. Dat proto­type is welis­waar geen OCP-server, maar gebruikt wel dezelfde principes die voor open hardware relevant zijn: modula­ri­teit, uitwis­sel­bare onder­delen, herge­bruik van chassis en minder materiaal.

De onder­zoe­kers berekenden eerst alleen de “embodied impact” van beide ontwerpen. De circu­laire server scoorde daarbij 15 procent lager. Over een langere levens­cy­clus werd het verschil groter. In het model werd de standaard­server acht jaar gebruikt en daarna vervangen. Het circu­laire ontwerp hield hetzelfde chassis en andere struc­tu­rele delen zestien jaar in gebruik, waarbij elektro­nica, venti­la­toren en voedingen tussen­tijds konden worden vervangen.

Over die zestien jaar lag de totale gemodel­leerde milieu-impact van het circu­laire ontwerp gemid­deld 29 procent lager. Ook refur­bish­ment van een tradi­ti­o­nele server had al duide­lijk effect: modellen met levens­duur­ver­len­ging scoorden gemid­deld 23 procent beter dan scenario’s waarin een server na vier jaar volledig werd vervangen.

Dit betekent natuur­lijk niet dat iedere OCP-server automa­tisch zestien jaar meegaat. De studie onder­zocht een afzon­der­lijk circu­lair proto­type. Wel onder­steunt dit het principe achter modulair ontworpen open hardware. Als chassis, power­in­fra­struc­tuur en andere langle­vende onder­delen niet samen met iedere proces­sor­ge­ne­ratie hoeven te worden vervangen, verschuift de levens­duur van het systeem. “Hardware specs should be open, shared, and not owned by any one vendor”, schreef Burks al op LinkedIn over precies dat uitgangspunt.

Geen wondermiddel, wel aantoonbare technische voordelen

De beschik­bare gegevens recht­vaar­digen dus geen simpele conclusie dat iedere OCP-server twintig procent goedkoper, sneller én zuiniger is dan iedere conven­ti­o­nele server. Daarvoor verschillen workloads, genera­ties, fabri­kanten en datacen­ter­om­stan­dig­heden te sterk.

Wat inmid­dels wel redelijk stevig kan worden onder­bouwd, is dat open rackar­chi­tec­turen overhead kunnen vermin­deren. De RTB House-meting laat bij vrijwel gelijk uitge­ruste systemen 50 tot 100 watt minder stroom­ge­bruik en ongeveer 15 graden lagere CPU-tempe­ra­turen zien – zonder aantoon­baar presta­tie­ver­lies. Histo­ri­sche OCP-metingen laten zien waarom grotere venti­la­toren, effici­ën­tere voedingen en vereen­vou­digde power paths daarbij helpen. Recenter weten­schap­pe­lijk onder­zoek naar circu­laire servers laat boven­dien zien dat modula­ri­teit en herge­bruik de levens­duur van infra­struc­tuur aanzien­lijk kunnen verlengen en de impact over de complete levens­cy­clus kunnen verlagen.

Voor IT-afdelingen en datacen­ters zit de interes­santste verge­lij­king daarom waarschijn­lijk niet in één SPEC-score of aanschaf­prijs. De relevan­tere vraag is hoeveel bruik­bare compute een rack over vijf, acht of tien jaar levert – per kilowatt, per euro én per hoeveel­heid vervangen hardware. Juist daar begint open hardware zich te onder­scheiden van de tradi­ti­o­nele server als gesloten, indivi­duele appliance.

In een volgende artikel gaan we nader in op de vraag hoe we van vendor lock-in naar een multi-vendor kunnen groeien. En waarom open hardware strate­gisch interes­sant is voor Europa. Het vorige artikel in deze serie kun je hier vinden.

Robbert Hoeffnagel

Robbert Hoeffnagel

Editor en journalist @ DCpedia

0 Reactie(s)

7 weergaven

0 Reactie(s)

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reacties gesloten

De reactiemogelijkheid is verlopen. (14 dagen)

Nieuwsbrief

Pin It on Pinterest

Share This