Europa wil minder afhankelijk worden van een klein aantal niet-Europese technologiebedrijven. Die discussie gaat meestal over cloud, software, data en AI. Maar wie digitale autonomie serieus neemt, komt vanzelf bij een diepere laag terecht: de hardware. Want ook servers, racks, netwerkapparatuur, managementinterfaces en zelfs chiparchitecturen kunnen organisaties jarenlang aan één leverancier binden. Open hardware biedt een andere route.
Open hardware of open source hardware betekent niet simpelweg dat alle hardware gratis of volledig Europees is. Het gaat er juist om dat hardware waarvan specificaties, ontwerpen of interfaces publiek beschikbaar en gestandaardiseerd zijn, zodat meerdere leveranciers compatibele producten kunnen bouwen. Daardoor ontstaat een ecosysteem waarin onderdelen gemakkelijker uitwisselbaar zijn en waarin één fabrikant minder snel de volledige controle over de lifecycle van een systeem en daarmee een soevereine cloudoplossing krijgt.
Het Open Compute Project is daar een voorbeeld van. OCP facciliteert de discussies rondom open specificatie. De organisatie omschrijft zichzelf als een wereldwijde community die open technologie ontwikkelt voor datacenter- en IT-infrastructuur. Het doel is onder andere meer interoperabiliteit, efficiëntie en schaalbaarheid. Voor Europa is vooral dat eerste woord interessant: interoperabiliteit.
Van één leverancier naar meerdere leveranciers
Traditionele enterprise-infrastructuur wordt vaak als complete omgeving ingekocht. Server, firmware, managementsoftware, voedingen en dergelijke inclusief supportcontracten zijn sterk aan elkaar gekoppeld. Dat heeft voordelen: één leverancier is verantwoordelijk en de verschillende onderdelen zijn op elkaar getest.
Het creëert echter ook afhankelijkheid. Wanneer een bepaalde serverlijn wordt beëindigd, onderdelen duurder worden of firmware alleen via een specifiek supportcontract beschikbaar is, heeft de klant beperkte alternatieven. Overstappen naar een andere leverancier kan betekenen dat beheerprocessen, tooling, racks of complete systemen opnieuw moeten worden ingericht. Zeker voor bedrijven en instellingen in de kritieke infrastructuur kan dat vanwege NIS2 een probleem vormen.
Open hardware probeert dat model open te breken. Jeroen Burks, EMEA co-lead bij OCP en daarnaast actief voor ScaleUp Technologies, vat het uitgangspunt eenvoudig samen: “Hardwarespecificaties moeten openbaar zijn, worden gedeeld en mogen niet het eigendom zijn van één bepaalde leverancier.” Volgens hem draait de praktische toepassing vervolgens om drie zaken: “Open specificaties, multi-vendor inkoop en modulair ontwerp.”
Juist die combinatie is voor Europa strategisch interessant. Multi-vendor procurement betekent namelijk dat een organisatie niet noodzakelijk voor iedere uitbreiding naar dezelfde fabrikant hoeft terug te keren. Wanneer meerdere leveranciers volgens dezelfde specificaties produceren, kan hardware gemakkelijker worden gecombineerd en vervangen.
Dit betekent overigens niet dat alle volgens OCP-specificaties ontwikkelde hardware volledig uitwisselbaar is of dat iedere component van iedere fabrikant automatisch in iedere configuratie past. Validatie blijft nodig. Maar het uitgangspunt verschilt fundamenteel van een gesloten ecosysteem waarin compatibiliteit uitsluitend door één fabrikant wordt bepaald.
Digitale soevereiniteit begint onder de softwarelaag
Dat sluit nauw aan bij de Europese discussie over technologische soevereiniteit. De Europese Commissie stelt in haar nieuwe EU Open Source Strategy expliciet dat open technologie kan helpen om afhankelijkheid van niet-Europese leveranciers te verminderen en de controle over kritieke digitale infrastructuur te vergroten. Daarbij noemt de Commissie niet alleen software, maar ook hardware.
Dat is een belangrijke verbreding. Een organisatie kan immers een Europese cloudprovider gebruiken, Linux draaien en applicaties op open-sourcecomponenten baseren, terwijl de onderliggende hardware nog volledig afhankelijk is van een handvol buitenlandse leveranciers.
Open hardware lost dat probleem niet in één keer op, maar kan wel een aantal afhankelijkheden verwijderen. Het is dan dus een stap ind e goede richting. Een open rackstandaard kan immers afhankelijkheid van één rackleverancier verminderen. Open managementinterfaces kunnen voorkomen dat beheer uitsluitend via proprietary software mogelijk is. En gestandaardiseerde accelerator- of netwerkinterfaces kunnen ruimte creëren voor nieuwe leveranciers.
Burks formuleerde dat eerder nog scherper: “Europa wordt niet digitaal onafhankelijk als het gebruik blijft maken van gesloten en vendor-specifieke hardwaresystemen.”
Europa hoeft niet alles zelf te maken
Digitale autonomie wordt soms verward met technologische autarkie: Europa zou dan ieder onderdeel zelf moeten ontwikkelen en produceren. Dat is zeker op de korte termijn niet realistisch. Moderne servers bestaan uit een wereldwijde supply chain van processoren, geheugen, netwerkchips, storage, firmware, PCB’s en gespecialiseerde productietechnologie.
Open hardware biedt een andere benadering. Europa hoeft niet noodzakelijk ieder component zelf te maken, zolang Europese bedrijven maar voldoende keuze en controle houden over de infrastructuur waarin die componenten worden gebruikt.
Daarbij kan Europa bijvoorbeeld investeren in open standaarden, Europese implementaties van die standaarden en alternatieve processorarchitecturen zoals RISC‑V. De Europese open-sourcestrategie noemt de Chips Joint Undertaking en RISC‑V inmiddels expliciet als voorbeelden van initiatieven waarmee open hardware en industriële toepassingen worden ondersteund. De strategische waarde zit daarmee dus niet alleen in de herkomst van een product, maar ook in de mogelijkheid om een leverancier te vervangen.
AI maakt multi-vendor nog belangrijker
De opkomst van AI versterkt die discussie. AI-systemen vragen steeds grotere hoeveelheden accelerators, stroom en koeling. Tegelijk wordt de markt gedomineerd door een beperkt aantal leveranciers. OCP werkt daarom ook aan open, modulaire AI-infrastructuur. De nieuwe AI Computing Continuum richt zich bijvoorbeeld op open serverarchitecturen, accelerators, networking en andere bouwstenen voor AI-systemen buiten de grootste hyperscale-datacenters. Het doel is expliciet om interoperabele en uitbreidbare infrastructuur te creëren.
Ook op chipniveau schuift het concept richting multi-vendor. Binnen OCP’s Open Chiplet Economy wordt gewerkt aan interoperabiliteit tussen chiplets van verschillende leveranciers, inclusief standaardisering rond interfaces, security, power en performance.
Dat lijkt misschien ver verwijderd van dagelijkse IT-infrastructuur, maar het raakt precies dezelfde vraag: hoe voorkom je dat de volgende generatie infrastructuur opnieuw volledig rond één leveranciersplatform wordt gebouwd?
Van Europese gebruiker naar Europese leverancier
Open hardware biedt Europa bovendien niet alleen defensieve voordelen. Het kan ook toetredingsdrempels verlagen voor Europese leveranciers. Een kleinere fabrikant hoeft bijvoorbeeld niet zelf een compleet server‑, rack- en managementecosysteem te ontwikkelen wanneer open specificaties al beschikbaar zijn. Het bedrijf kan zich richten op onderdelen waarin het zich onderscheidt: een specifieke server, accelerator, koeling-oplossing, netwerkcomponent of managementtool.
OCP besteedt inmiddels expliciet aandacht aan een Europese supply chain. Op de OCP Global Summit werd bijvoorbeeld een afzonderlijke sessie georganiseerd rond “OCP’s EU Supply Chain Ecosystem: Opportunities for Sovereign Digital Infrastructure”.
Dat is mogelijk een van de grootste strategische kansen voor Europa. Niet proberen één Europese tegenhanger van iedere Amerikaanse hyperscaler of hardwaregigant te bouwen, maar een ecosysteem creëren van gespecialiseerde bedrijven die rond gedeelde open standaarden samenwerken.
Open hardware is geen garantie
Daarbij blijft enige nuchterheid nodig. Open specificaties maken een systeem niet automatisch Europees, veilig of onafhankelijk. Er kunnen nog altijd gesloten firmwarecomponenten aanwezig zijn en processoren kunnen nog steeds uit de Verenigde Staten of Azië komen. Ook certificering, support, interoperabiliteitstesten en langdurig onderhoud blijven noodzakelijk.
Maar open hardware verandert wel de machtsverhouding. Bij gesloten infrastructuur bepaalt de leverancier uiteindelijk welke onderdelen beschikbaar blijven, hoe systemen worden beheerd en hoe lang een platform wordt ondersteund. Bij een werkelijk multi-vendor ecosysteem kan een organisatie alternatieven zoeken zonder de volledige infrastructuur opnieuw te hoeven ontwerpen.
Daarmee wordt open hardware uiteindelijk minder een technisch ideaal en meer een strategisch instrument. Voor Europa draait digitale autonomie immers niet noodzakelijk om de vraag of werkelijk ieder onderdeel binnen de EU is geproduceerd. De belangrijkere vraag is: kan Europa blijven beschikken over zijn digitale infrastructuur wanneer een individuele leverancier wegvalt, zijn voorwaarden verandert of niet langer wil leveren?
Hoe vaker het antwoord daarop dankzij open specificaties, interoperabiliteit en meerdere leveranciers “ja” kan zijn, hoe groter de feitelijke digitale autonomie wordt.

0 Reacties