De groei van AI vergroot de druk op energie, water en ruimte. Tegelijkertijd veranderen de chips en toepassingen sneller dan de infrastructuur die ze moet ondersteunen. Hoe ontwerpen we AI-voorzieningen die passen bij een concrete behoefte, kunnen meebewegen met nieuwe technologie en in de praktijk op hun prestaties worden beoordeeld?
De berichtgeving van de NOS over de groeiende milieudruk van AI stelt een belangrijke vraag: wie profiteert van de groei van kunstmatige intelligentie en waar komen de gevolgen terecht? De NOS beschrijft hoe het toenemende gebruik van AI leidt tot meer vraag naar stroom, water en grondstoffen. De baten en lasten zijn bovendien wereldwijd ongelijk verdeeld. Efficiëntere technologie kan de belasting per taak verminderen, maar kan AI ook goedkoper en aantrekkelijker maken, waardoor het gebruik verder groeit. Efficiëntie per toepassing betekent dus niet automatisch dat het totale verbruik daalt.
Die discussie gaat vaak over de omvang van AI en de middelen die zij verbruikt. Minstens zo belangrijk is de vraag hoe we de voorzieningen achter AI ontwerpen. Welke toepassing willen we ondersteunen? Welke infrastructuur past daarbij? Hoe houden we rekening met energie, koeling en water, en hoe voorkomen we dat een nieuwe generatie hardware een complete herbouw noodzakelijk maakt?
Dat zijn geen vragen voor achteraf. Ze horen aan het begin van een project op tafel te liggen, wanneer organisaties nog keuzes kunnen maken over de toepassing, de locatie en de technische inrichting.
AI is digitaal in gebruik, maar fysiek in de uitvoering
Voor een gebruiker lijkt AI vaak eenvoudig: een vraag invoeren en een antwoord ontvangen. Achter die interactie staat een fysieke keten van chips, servers, elektriciteitsvoorziening, koeling, verbindingen, gebouwen en grondstoffen.
De eisen aan die keten verschillen per toepassing. Een systeem dat medewerkers helpt interne documenten te doorzoeken, vraagt iets anders dan een toepassing die continu gegevens verwerkt of direct moet reageren. Ook de gevoeligheid van gegevens, de beschikbaarheidseisen, de locatie van de verwerking en de verwachte groei zijn van invloed op het ontwerp.
Daarom hoort een AI-project niet te beginnen met de vraag welke GPU het krachtigst is. De eerste vraag is: welk probleem willen we oplossen en welke middelen zijn daarvoor nodig?
Dat vraagt om vroegtijdige samenwerking tussen de organisatie die AI wil inzetten, de ontwikkelaars van de toepassing, de beheerders en de partijen die de infrastructuur en energievoorziening leveren. Wanneer ieder onderdeel afzonderlijk wordt ontworpen, kan een oplossing op één punt goed presteren maar als geheel onnodig zwaar, kostbaar of moeilijk te beheren worden.
Efficiëntie vraagt om meer dan een goede PUE
Power Usage Effectiveness (PUE) is een nuttige indicator om de energie-efficiëntie van een datacenter te volgen. De maatstaf vergelijkt het totale energieverbruik van de faciliteit met het energieverbruik van de IT-apparatuur. Maar PUE vertelt niet op zichzelf of een AI-voorziening als geheel goed is ontworpen. De maatstaf laat bijvoorbeeld niet zien hoe goed de koeling past bij de gebruikte servers, hoe gemakkelijk de infrastructuur kan worden aangepast aan nieuwe hardware of wat de gevolgen zijn voor water en energie op een specifieke locatie.
In een recente bijdrage voor Forbes Technology Council wordt daarom gepleit om bij AI-datacenters verder te kijken dan PUE. De auteur benoemt onder meer de aanpasbaarheid aan snel veranderende AI-hardware, de volledige route waarlangs warmte van de chip naar buiten de faciliteit wordt afgevoerd en de lokale omstandigheden rond stroom, water en klimaat. Ook vraagt de bijdrage aandacht voor de samenhang tussen IT, elektriciteitsvoorziening en koeling: die onderdelen afzonderlijk optimaliseren levert niet vanzelf de beste prestatie voor het hele systeem.
Die visie sluit aan bij de vraag die de NOS stelt. De NOS maakt de maatschappelijke druk en de ongelijke verdeling van gevolgen zichtbaar; de Forbes-bijdrage helpt die discussie te vertalen naar technische ontwerpvragen. De Forbes-bijdrage is een opiniestuk van een lid van de Forbes Technology Council en biedt een industrieel perspectief. We gebruiken haar als relevante ontwerpvisie, niet als onafhankelijke validatie van een specifieke oplossing.
Ontwerpen voor verandering
AI-hardware en software veranderen snel. De infrastructuur die ze ondersteunt, wordt doorgaans voor een langere periode ontworpen en gebruikt. Dat verschil vraagt om een ontwerp dat rekening houdt met verandering.
Dat betekent nadenken over modulaire opbouw, onderhoudbaarheid en de aansluiting tussen IT-systemen en de technische voorzieningen eromheen. Als servers worden vervangen, moet dan ook de rest van de omgeving ingrijpend worden aangepast? Kunnen verschillende toepassingen naast elkaar draaien? Is de capaciteit afgestemd op het verwachte gebruik, met voldoende ruimte voor pieken en groei?
Het doel is niet de toekomst precies voorspellen. Het doel is keuzes maken die aanpassing mogelijk maken zonder telkens het hele systeem opnieuw te bouwen. Daarbij past het principe less is more: niet maximale capaciteit als vanzelfsprekend uitgangspunt, maar de middelen inzetten die passen bij de toepassing en de gewenste prestaties.
Een compacte of energiezuinige voorziening is overigens niet automatisch de beste oplossing. Zij moet ook betrouwbaar, veilig en onderhoudbaar zijn en voldoen aan de eisen van de toepassing. De prestaties moeten in de praktijk worden getoetst.
SOLOAI als ontwerp- en ontwikkelopgave
SOLOAI is een concrete uitwerking van deze ontwerpuitdaging. Het concept richt zich op modulaire AI-infrastructuur, met aandacht voor inference, flexibiliteit en het vervangen van IT-generaties zonder grote aanpassingen aan de volledige voorziening.
Daarbij hoort een duidelijke systeemgrens. De AI-unit bevat de infrastructuur die nodig is om de IT veilig en passend te laten functioneren. Energieopwekking, batterijopslag en noodstroom worden centraal buiten de unit gefaciliteerd en via een externe aansluiting gekoppeld. Zo kan de unit deel uitmaken van een groter energiesysteem, zonder al die functies in dezelfde behuizing onder te brengen.
De keuze voor koeling kan niet los worden gezien van de servers, vermogensdichtheid, beschikbare ruimte en locatie. Ook het vermogen dat pompen, ventilatoren en andere onderdelen gebruiken, de warmteafvoer en de regeltechniek spelen mee. De hele keten moet daarom als één systeem worden bekeken.
Dat zijn ontwerpuitgangspunten en ontwikkelvragen; ze zijn geen bewijs dat alle prestaties al zijn aangetoond. In een demonstratie moet blijken hoe de voorziening zich gedraagt bij wisselende belasting, welke koelconfiguratie past bij de gekozen IT en hoe de omgeving reageert wanneer hardware wordt vervangen. Ook moet duidelijk worden welke aannames standhouden en welke aanpassing vragen.
De locatie maakt deel uit van het ontwerp
Een AI-voorziening staat nooit los van haar omgeving. De beschikbare netcapaciteit, de energievoorziening, de ruimte, de koelmethoden en de eventuele aanwezigheid van een warmteafnemer beïnvloeden wat haalbaar en verstandig is.
Daarom moet locatiekeuze op meer gebaseerd zijn dan beschikbare grond of vastgoed. Past de verwachte belasting bij het lokale energiesysteem? Is het mogelijk om vraag flexibel te plannen? Kan restwarmte daadwerkelijk worden benut, en is die warmte beschikbaar op de juiste temperatuur en het juiste moment? Wat betekent het ontwerp voor watergebruik en voor de omgeving?
Ook de keuze tussen verwerking in de cloud, regionaal of lokaal kent geen universeel antwoord. De juiste keuze verschilt per toepassing. Een vergelijking moet daarom kijken naar de hele dienstverlening: prestaties, kosten, beschikbaarheid, beheer en de middelen die nodig zijn om de oplossing te laten functioneren.
De NOS wijst erop dat de gevolgen van AI-infrastructuur lokaal voelbaar kunnen zijn. Datacenters gebruiken bijvoorbeeld water voor koeling, terwijl de beschikbaarheid van water per regio verschilt. Daardoor vertellen algemene gemiddelden niet het hele verhaal: de plaats en omstandigheden doen ertoe.
Samenwerking van toepassing tot uitvoering
Een ontwerp wordt pas bruikbaar als de benodigde expertise samenkomt. Binnen de Sustainable Performance Alliance (SPA) werken Hightech Innovators, Blis Digital, Zirrow en Sciante samen. De samenwerking kan een plek bieden waar technische infrastructuur, digitale oplossingen, meting en analyse rond een concrete praktijkopgave worden verbonden.
De waarde zit in de gezamenlijke aanpak: beginnen bij een vraag van een organisatie, bepalen welke toepassing daarbij past en vervolgens onderzoeken welke infrastructuur nodig is en hoe die in de praktijk gevolgd kan worden.
De precieze verantwoordelijkheden moeten per project worden afgesproken. Wie levert het ontwerp? Wie bouwt de toepassing? Wie verzamelt gegevens? Wie beoordeelt de resultaten? Heldere rollen maken samenwerking werkbaar en voorkomen dat verwachtingen verder gaan dan wat een project daadwerkelijk kan aantonen.
Meten om te leren en bij te sturen
In mijn eerdere DCpedia-artikel, De werkelijke prijs en waarde van AI, beschreef ik waarom AI niet alleen op kosten of energieverbruik moet worden beoordeeld. Ook de kwaliteit van de resultaten, de benutting van hardware en de waarde van de toepassing tellen mee. Dit vervolg gaat over de volgende stap: hoe volgen we of een ontworpen voorziening in de praktijk werkt zoals bedoeld?
Daar kan Zirrow aan bijdragen door informatie uit verschillende onderdelen van de omgeving samen te brengen. Denk aan gegevens over infrastructuur, hardwaregebruik en de werking van toepassingen. Zo kunnen betrokkenen zien hoe de omgeving zich gedraagt en waar bijsturing of nader onderzoek nodig is.
Een dashboard maakt een systeem niet vanzelf duurzamer. De waarde ontstaat wanneer mensen de informatie gebruiken om beslissingen te nemen: een configuratie aanpassen, capaciteit anders plannen of een aanname opnieuw beoordelen. Daarbij moeten metingen en schattingen herkenbaar van elkaar gescheiden blijven. Ook moet duidelijk zijn welke delen van de keten wel en niet worden meegenomen.
Niet elk effect is direct te meten en niet elke uitkomst is aan één onderdeel toe te schrijven. Heldere meetmethoden en herhaalbare praktijkproeven zijn daarom belangrijk. Ze maken zichtbaar wat de gegevens wel aantonen, waar onzekerheid blijft bestaan en welke conclusies nog niet kunnen worden getrokken.
Lessen delen met Save Energy Foundation
Stichting Save Energy Foundation kan bijdragen aan het breder delen van kennis over efficiënt gebruik van energie en digitale infrastructuur. Ervaringen uit praktijkprojecten kunnen worden vertaald naar lessen voor organisaties, beleidsmakers en andere betrokkenen.
Daar horen ook resultaten bij die tegenvallen. Welke ontwerpkeuzes werkten? Welke aannames bleken onjuist? Welke effecten konden niet worden vastgesteld? En wat vraagt vervolgonderzoek? Wanneer alleen de successen worden gedeeld, leert de sector minder.
De verschillende rollen van de stichting en de betrokken bedrijven moeten daarbij transparant zijn. Het moet duidelijk zijn wanneer sprake is van commerciële ontwikkeling, maatschappelijke kennisdeling of onafhankelijke beoordeling. Zo weten deelnemers en lezers hoe de informatie tot stand komt en welke belangen een rol spelen.
Toegang, verdeling en maatschappelijke waarde
De NOS vestigt ook de aandacht op de ongelijke verdeling van AI-rekenkracht en de baten en lasten van AI. De uitdaging is dus groter dan de vraag hoe we een efficiënte voorziening bouwen. We moeten ook nadenken over wie toegang krijgt tot AI, wie de waarde ervan kan benutten en waar de ecologische gevolgen terechtkomen.
Een regionale of modulaire voorziening lost die verdelingsvraag niet vanzelf op. Daarvoor zijn keuzes nodig over toegang, gebruik, dienstverlening en opbrengsten. Wel kan infrastructuur die dichter bij gebruikers en toepassingen staat een basis bieden om andere vormen van samenwerking te onderzoeken, zoals het gezamenlijk gebruiken van capaciteit.
Ook die mogelijkheden moeten in de praktijk worden getoetst. Een uitkomst in één omgeving is niet zonder meer toepasbaar op een andere. De locatie, de toepassing, de configuratie en de afspraken over gebruik bepalen mede wat de resultaten betekenen.
Begin met een concrete praktijkvraag
De volgende stap is geen algemene belofte dat AI duurzaam kan worden gemaakt. De volgende stap is een afgebakende praktijkvraag kiezen en die zorgvuldig onderzoeken.
Een bedrijf, gemeente, zorginstelling of kennisorganisatie kan bijvoorbeeld een toepassing aandragen waarvan het nut duidelijk is, maar waarvan de juiste inrichting nog niet vaststaat. Betrokken partijen kunnen dan samen bepalen welke infrastructuur nodig is, welke eisen gelden voor prestaties en beheer, hoe het gebruik wordt gevolgd en welke resultaten na afloop worden geëvalueerd.
Zo’n project levert niet alleen technische informatie op. Het kan ook laten zien hoe organisaties samenwerken, waar besluitvorming vastloopt en welke randvoorwaarden nodig zijn om een toepassing verantwoord in gebruik te nemen.
De lessen zijn pas overdraagbaar wanneer ook de context wordt beschreven: de locatie, de toepassing, de gebruikte configuratie en de grenzen van de metingen. Dan kunnen andere organisaties beoordelen wat voor hun eigen situatie relevant is.
AI vormgeven met bewuste keuzes
AI zal zich verder ontwikkelen en het gebruik zal waarschijnlijk groeien. Dat maakt het verleidelijk om vooral te focussen op meer capaciteit en snellere hardware. Maar groei alleen vertelt niet of we de juiste toepassingen kiezen, of de voorzieningen goed ontwerpen en of de voordelen opwegen tegen de middelen die ze vragen.
De vraag is hoe we AI-capaciteit bouwen die aansluit op concreet gebruik, kan meebewegen met veranderingen en in de praktijk kan worden beoordeeld. Daarvoor zijn goed ontwerp, uitvoering, meting en samenwerking nodig.
Met SOLOAI willen we bijdragen aan modulaire AI-infrastructuur die rekening houdt met die vragen. Binnen SPA brengen Hightech Innovators, Blis Digital, Zirrow en Sciante expertise samen rond praktijkopgaven. Zirrow kan helpen volgen hoe een omgeving functioneert. Stichting Save Energy Foundation kan bijdragen aan het delen van lessen en het bredere gesprek over efficiënt gebruik van digitale technologie.
De uitnodiging is om deze aanpak samen te beproeven: met een concrete toepassing, duidelijke afspraken over rollen en meetgrenzen, en ruimte om te leren van wat wel en niet werkt. Zo verschuift het gesprek van de algemene belofte van AI naar de keuzes waarmee we AI daadwerkelijk vormgeven.

0 Reacties