Open hardware wordt vaak in één adem genoemd met lagere kosten, minder energiegebruik en een langere levensduur. Maar hoe groot zijn die voordelen in de praktijk? Wie de beschikbare metingen en onderzoeken naast elkaar legt, ziet een genuanceerd beeld. Vooral op het gebied van energiegebruik, koeling, onderhoud en levensduur zijn duidelijke voordelen aantoonbaar. Bij pure rekenprestaties is het beeld minder spectaculair: open hardware is niet automatisch sneller, maar kan dezelfde prestaties soms wel met minder energie en infrastructuur leveren.
Een van de meest bruikbare praktijkmetingen komt van RTB House. Het bedrijf gebruikt zowel traditionele servers als systemen volgens de specificaties van het Open Compute Project (OCP). Daardoor kon het vrijwel vergelijkbare machines onder productiebelasting naast elkaar zetten. De vergelijking uit 2024 omvatte één Gigabyte TO25-Z11 OCP-server en twee traditionele ASUS RS520A-E12-systemen. Alle drie waren uitgerust met een AMD EPYC 9684X-processor en 1,5 TB DDR5-geheugen. De netwerkadapters waren eveneens vergelijkbaar. Volgens RTB House verdeelde het platform de workload op basis van het type CPU, zodat systemen met dezelfde processor gedurende de onderzochte periode vergelijkbaar werden belast.
50 tot 100 watt verschil
Het opvallendste resultaat zat niet in de prestaties, maar in het energiegebruik. De OCP-server gebruikte tijdens de meting volgens RTB House ongeveer 50 tot 100 watt minder dan de twee conventionele ASUS-machines. De CPU-temperatuur lag bovendien ongeveer 15 graden Celsius lager. RTB House schrijft tegelijkertijd dat de drie systemen bij vergelijkbare belasting geen betekenisvol performanceverschil lieten zien. Met andere woorden: de energiewinst werd in deze specifieke vergelijking niet veroorzaakt door de processor langzamer te laten draaien.
Dat laatste is belangrijk. De traditionele servers waren bovendien niet simpelweg minder goed geconfigureerd. RTB House schrijft dat het de fan- en powercurves van de ASUS-systemen vooraf had aangepast. Daarmee werd al ongeveer 70 watt van hun oorspronkelijke stroomverbruik weggehaald. Ook na die optimalisatie bleef de OCP-server nog 50 tot 100 watt lager zitten.
Het Duitse datacenter- en cloudbedrijf ScaleUp Technologies past eveneens zowel traditionele als OCP-servers toe. In de door dit bedrijf gehanteerde documentatie rekent het bedrijf met het midden van die bandbreedte van 50 tot 100 watt: 75 watt per node. Bij 40 nodes betekent dat ongeveer 3 kW continu vermogen. Bij 24 uur per dag en 365 dagen per jaar komt dat neer op 26 280 kWh. Bij een elektriciteitsprijs van €0,20 per kWh is dat circa €5256 per rack per jaar.
Die berekening klopt rekenkundig, maar het is wel belangrijk om onderscheid te maken tussen de oorspronkelijke meting en de extrapolatie: RTB House heeft die jaarlijkse besparing van €5256 niet zelf gemeten. ScaleUp heeft de gemeten 50 – 100 watt per node doorgerekend naar een vol rack. Bij de volledige RTB-bandbreedte zouden 40 servers theoretisch ongeveer €3504 tot €7008 per jaar besparen bij dezelfde elektriciteitsprijs. Dit veronderstelt uiteraard dat het gemeten verschil continu aanwezig blijft. Werkelijke besparingen hangen af van workload, bezettingsgraad, serverconfiguratie, elektriciteitsprijs en bedrijfstijd. Ondanks deze kanttekeningen schetst het natuurlijk wel een interessant beeld van de besparingsmogelijkheden.
Waar komt die besparing vandaan?
Het verschil zit voor een belangrijk deel in de architectuur rondom CPU, geheugen en storage. Een traditionele rackserver bevat meestal eigen redundante voedingen, een relatief gesloten chassis en kleine ventilatoren. OCP verplaatst verschillende functies naar rackniveau. Een centrale power shelf kan bijvoorbeeld meerdere nodes via een busbar voeden.
Daarmee verdwijnen nogal wat individuele voedingen uit een rack. Bovendien kunnen grotere voedingen dichter bij hun optimale belastingspunt functioneren. In de OCP-specificatie “Open Rack V3” wordt onder andere met 48 volt DC-distributie gewerkt. OCP legt uit dat een verhoging van 12 naar 48 volt de stroomsterkte bij hetzelfde vermogen met een factor vier vermindert. Omdat geleidingsverliezen evenredig zijn met het kwadraat van de stroom, kunnen die verliezen in theorie met een factor zestien dalen.
Ook de koeling wijkt bij gebruik van OCP-servers af. Een klassiek 1U-systeem moet veel warmte door een zeer lage behuizing afvoeren en gebruikt daarvoor relatief kleine, snel draaiende ventilatoren. Al bij de eerste generatie Open Compute-servers koos Facebook voor een hoger chassis, grotere heatsinks en 80 mm-fans. Volgens de oorspronkelijke technische documentatie gebruikten die ventilatoren destijds 2 tot 4 procent van het totale serververmogen, tegenover 10 tot 20 procent voor de volgens Facebook gangbare traditionele servers uit die periode.
Die cijfers zijn inmiddels echter wel vijftien jaar oud en mogen daarom niet één-op-één op moderne enterprise-servers worden toegepast. Moderne OEM-systemen zijn aanzienlijk efficiënter geworden. Het technische principe is echter hetzelfde gebleven: grotere fans, minder obstructie van de luchtstroom en minder conversiestappen kunnen het energiegebruik buiten de CPU zelf verlagen.
ScaleUp zegt op basis van eigen tests dat bij bepaalde OCP-configuraties een energiebesparing van ongeveer 15 tot 20 procent mogelijk is ten opzichte van traditionele 19-inch servers. ScaleUp verkoopt zelf ook OCP-hardware, dus die vaststelling kunnen we niet direct zien als een onafhankelijk benchmarkresultaat. De RTB House-meting biedt daarvoor een nuttigere onafhankelijke praktijkcontrole.
Niet zozeer sneller, wel meer performance per watt
Er is nauwelijks onderzoek dat aangeeft dat open hardware meer rekenprestaties zou leveren. Dat is op zich ook wel logisch. Wanneer een OCP-node en een Dell‑, HPE- of ASUS-server dezelfde processor en hetzelfde geheugen gebruiken, wordt de maximale rekenprestatie vooral door die componenten bepaald. Het voordeel zit eerder in performance per watt en in de hoeveelheid compute die binnen een bepaald rack- of energiebudget kan worden geplaatst.
Dat onderscheid is volgens Jeroen Burks belangrijk. Burks is EMEA co-lead bij OCP en tevens betrokken bij ScaleUp. Hij vat de filosofie achter OCP samen als: “Open specs, multi-vendor procurement, modular design. Het optimalisatiepunt verschuift bij open hardware zoals OCP die heeft gedefinieerd van de afzonderlijke server naar het rack. Wie per server bijvoorbeeld 75 watt overhead verwijdert, kan binnen een gelijkblijvend vermogensbudget meer compute-capaciteit plaatsen.”
Meta liet al bij de introductie van OCP in 2011 zien hoe groot het verschil op datacenterniveau kan worden wanneer server‑, power- en coolingarchitectuur samen worden ontworpen. Het toen nieuwe Prineville-datacenter gebruikte volgens Meta 38 procent minder energie voor dezelfde hoeveelheid werk en kostte 24 procent minder dan de bestaande datacenterarchitectuur van Facebook. Dat is uiteraard géén zuivere server-tegen-serververgelijking: ook koeling, elektriciteitsdistributie en UPS-architectuur waren anders. Het laat wel zien dat open hardware vooral interessant wordt wanneer de hele infrastructuur als één systeem wordt bekeken.
Kosten zitten niet alleen in aanschaf
Bij aanschafprijzen is de onderbouwing minder hard. Burks stelt dat de aanschafprijs van OCP-servers doorgaans vergelijkbaar is met traditionele servers en soms iets lager ligt. “Dat kan per fabrikant, configuratie en volume aanzienlijk verschillen en moet daarom niet als universele regel worden gezien.”
Interessanter is echter wel de Total Cost of Ownership. OCP probeert kosten te verlagen door het toepassen van minder individuele voedingen, minder bekabeling, eenvoudiger onderhoud en vendor-onafhankelijke(re) componenten. Tegelijk ontstaan ook nieuwe kosten. Een organisatie moet OCP-hardware valideren, personeel opleiden en mogelijk de bestaande rack‑, power- of coolinginfrastructuur aanpassen. Daardoor is de businesscase bij een klein aantal servers minder vanzelfsprekend dan bij gebruik van tientallen of honderden nodes. ScaleUp schrijft in zijn documentatie dan ook dat vooral middelgrote en grote deployments profiteren. Het bedrijf noemt een mogelijke terugverdientijd van twee tot drie jaar.
Burks legt zelf sterker de nadruk op controle over de infrastructuur. In een post op LinkedIn over open hardware schrijft hij: “Geen vendor lock-in meer en – zoals wij zeggen – ‘no more features behind a paywall’.”
Dat is moeilijker in euro’s uit te drukken, maar voor datacenters natuurlijk wel erg relevant. Als voedingen, managementinterfaces en mechanische onderdelen uitwisselbaar zijn tussen verschillende leveranciers, kunnen procurement en spare-partstrategie flexibeler worden.
Levensduur wordt steeds belangrijker
Een recente wetenschappelijke studie voegt nog een dimensie toe. Deborah Andrews en Kristina Kerwin publiceerden begin 2026 in “Mineral Economics” een peer-reviewed vergelijking tussen een traditionele enterprise-server en een prototype dat specifiek voor circulariteit was ontworpen. Dat prototype is weliswaar geen OCP-server, maar gebruikt wel dezelfde principes die voor open hardware relevant zijn: modulariteit, uitwisselbare onderdelen, hergebruik van chassis en minder materiaal.
De onderzoekers berekenden eerst alleen de “embodied impact” van beide ontwerpen. De circulaire server scoorde daarbij 15 procent lager. Over een langere levenscyclus werd het verschil groter. In het model werd de standaardserver acht jaar gebruikt en daarna vervangen. Het circulaire ontwerp hield hetzelfde chassis en andere structurele delen zestien jaar in gebruik, waarbij elektronica, ventilatoren en voedingen tussentijds konden worden vervangen.
Over die zestien jaar lag de totale gemodelleerde milieu-impact van het circulaire ontwerp gemiddeld 29 procent lager. Ook refurbishment van een traditionele server had al duidelijk effect: modellen met levensduurverlenging scoorden gemiddeld 23 procent beter dan scenario’s waarin een server na vier jaar volledig werd vervangen.
Dit betekent natuurlijk niet dat iedere OCP-server automatisch zestien jaar meegaat. De studie onderzocht een afzonderlijk circulair prototype. Wel ondersteunt dit het principe achter modulair ontworpen open hardware. Als chassis, powerinfrastructuur en andere langlevende onderdelen niet samen met iedere processorgeneratie hoeven te worden vervangen, verschuift de levensduur van het systeem. “Hardware specs should be open, shared, and not owned by any one vendor”, schreef Burks al op LinkedIn over precies dat uitgangspunt.
Geen wondermiddel, wel aantoonbare technische voordelen
De beschikbare gegevens rechtvaardigen dus geen simpele conclusie dat iedere OCP-server twintig procent goedkoper, sneller én zuiniger is dan iedere conventionele server. Daarvoor verschillen workloads, generaties, fabrikanten en datacenteromstandigheden te sterk.
Wat inmiddels wel redelijk stevig kan worden onderbouwd, is dat open rackarchitecturen overhead kunnen verminderen. De RTB House-meting laat bij vrijwel gelijk uitgeruste systemen 50 tot 100 watt minder stroomgebruik en ongeveer 15 graden lagere CPU-temperaturen zien – zonder aantoonbaar prestatieverlies. Historische OCP-metingen laten zien waarom grotere ventilatoren, efficiëntere voedingen en vereenvoudigde power paths daarbij helpen. Recenter wetenschappelijk onderzoek naar circulaire servers laat bovendien zien dat modulariteit en hergebruik de levensduur van infrastructuur aanzienlijk kunnen verlengen en de impact over de complete levenscyclus kunnen verlagen.
Voor IT-afdelingen en datacenters zit de interessantste vergelijking daarom waarschijnlijk niet in één SPEC-score of aanschafprijs. De relevantere vraag is hoeveel bruikbare compute een rack over vijf, acht of tien jaar levert – per kilowatt, per euro én per hoeveelheid vervangen hardware. Juist daar begint open hardware zich te onderscheiden van de traditionele server als gesloten, individuele appliance.
In een volgende artikel gaan we nader in op de vraag hoe we van vendor lock-in naar een multi-vendor kunnen groeien. En waarom open hardware strategisch interessant is voor Europa. Het vorige artikel in deze serie kun je hier vinden.

0 Reacties