Door de groei van cloud en AI is het datacenter definitief een publieke infrastructuurkwestie geworden. Niet alleen in termen van ruimte en netcapaciteit, maar vooral in energie- en waterimpact. De reflex van de sector in Nederland was de afgelopen tien jaar vaak voorspelbaar: eerst relativeren met macro-statistiek, daarna onderhandelen over definities en meetmethoden, en pas in laatste instantie — als wetgeving onontkoombaar is — rapporteren. De vraag is: hoe komt dat, welke rol spelen brancheverenigingen NLdigital en de Dutch Data Center Association (DDA), en in hoeverre sturen grote (veelal Amerikaanse) spelers dit gedrag?
De “macro-cijfer” strategie: van legitimatie naar vertraging
Wie de publieke communicatie van de sector volgt, ziet een duidelijke lijn: plaats de impact in perspectief. DDA publiceert bijvoorbeeld cijfers die het energie- en wateraandeel van datacenters in Nederland benadrukken. Dat is begrijpelijk: in het maatschappelijk debat ontstaat snel een beeld van “energieslurpers” en “waterverbruikers” en dan wil je nuanceren. (Dutch Data Center Association)
Maar de afgelopen jaren is dat perspectief steeds minder voldoende. Het CBS rapporteerde recent bijvoorbeeld dat de levering van elektriciteit aan datacenters in 2024 uitkwam op 5,1 TWh, goed voor 4,6% van het nationale elektriciteitsverbruik. (Centraal Bureau voor de Statistiek) Dat is geen marginaal fenomeen meer; het is een zichtbaar stuk van de energievraag dat je als samenleving bestuurlijk wilt kunnen wegen — zeker bij netcongestie en ruimtelijke planning.
Het probleem is: macro-cijfers beantwoorden niet de kernvraag van beleid. Beleidsmakers willen weten: welke locaties vragen welke piekbelasting? Welke koelmethode? Welke waterbron? Welke restwarmte-opties? Welke energieflexibiliteit? Macro-cijfers zijn prima voor beeldvorming, maar onvoldoende voor sturing.
EED-rapportage: de transparantieplicht is er – maar de data blijven gatenkaas
Sinds de Europese Energy Efficiency Directive (EED) is er een concrete richting: grote datacenters moeten energie-efficiëntie en relevante indicatoren rapporteren. In Nederland wordt dit via RVO toegelicht; de EED-rapportage beoogt vergelijkbaarheid en betere beleidsplanning. (RVO.nl)
Tegelijk laat de praktijk zien hoe stroef het gaat. Media meldden eind 2025 dat veel datacenters weigeren om exacte cijfers over water- en stroomverbruik te publiceren of leveren cruciale velden leeg aan. (NU.nl) Een recente analyse in vakmedia legde bovendien bloot dat juist bij een deel van de grootste (en vaak Amerikaanse) eigenaarschappen essentiële velden ontbreken. (Techzine.nl)
Dat is precies het punt waarop “we zijn best transparant” omslaat in “we zijn transparant zolang het niet echt schuurt”.
Tien jaar weerstand: waar komt die vandaan?
De weerstand van de sector tegen vergaande transparantie en regelgeving heeft grofweg vier oorzaken:
- Definities en meetbaarheid – PUE en WUE lijken eenduidig, maar in de praktijk verschillen scope, meetpunten, normalisatie en uitzonderingen. De stap van “intern optimaliseren” naar “extern vergelijkbaar rapporteren” is groot. In overheidsdocumenten over duurzame digitalisering wordt ook expliciet gewezen op de noodzaak van consistente datadefinities en de discussie rondom indicatoren en emissiefactoren. (open.overheid.nl)
- Concurrentie en contracten - Energie-inkoopconstructies, PPA’s, loadprofielen, redundantie en koelontwerp zijn concurrentiegevoelig. Bovendien zijn datacenters vaak onderdeel van internationale ketens (hyperscale, colocation, managed services) waarbij contracten disclosure beperken.
- Regulatoire stapeling en precedentwerking - Zodra je op locatie-niveau cijfers geeft, ontstaat “benchmarkpolitiek”: gemeentes en provincies willen voorwaarden; netbeheerders willen prioritering; activisten willen naming-and-shaming. Een deel van de sector vreest dat transparantie meteen vertaald wordt in beperkingen, zonder nuance over waardecreatie.
- Reputatie- en geopolitieke gevoeligheid - Zeker bij hyperscalers is transparantie geen puur technisch dossier, maar een reputatie- en geopolitiek dossier. In Europa is “soevereiniteit” een kernterm geworden; dat trekt aandacht naar eigenaarschap, ketenafhankelijkheden en publieke controle.
De rol van NLdigital en DDA: belangenbehartiging of rem op transparantie?
Brancheverenigingen vervullen een dubbelrol: ze moeten én de sector beschermen tegen onevenredige regels, én publieke legitimiteit organiseren. Dat is moeilijker geworden nu datacenters onder een vergrootglas liggen.
NLdigital publiceert over datacenterstroomverbruik “in perspectief” en koppelt de discussie aan wettelijke drempels en beleidskaders. (NLdigital) Dat is verdedigbaar, maar het versterkt ook de indruk dat de sector graag communiceert op aggregaatniveau en via thresholds (bijv. >10 GWh), terwijl de maatschappelijke discussie juist gaat over individuele footprints, lokale netdruk en waterstress.
DDA zit nog directer op de datacenteroperator-belangen en heeft de afgelopen jaren ook inhoudelijk werk geleverd, zoals een whitepaper over watergebruik (met uitleg, feiten, en oplossingsrichtingen). (Dutch Data Center Association) Dat is positief: het professionaliseert het debat. Tegelijk blijft de kritiek bestaan dat de sector in concrete rapportage en publicatie (per locatie) te vaak “de grenzen opzoekt”.
Hebben (Amerikaanse) grote spelers veel invloed op strategie en lobby?
Invloed werkt zelden als een expliciet dictaat; het werkt via governance, agenda-setting en resource-asymmetrie.
- Bij DDA is de governance zichtbaar nauw verweven met grote operators (met internationale signatuur). De voorzitterrol en bestuurszetels liggen bij partijen die een groot deel van de marktfootprint vertegenwoordigen. Dat maakt het logisch dat DDA sterk inzet op “license to operate”: economische waarde, mainport-argumenten, en het temperen van restrictief beleid.
- Bij NLdigital is de basis veel breder (600+ leden), maar grote tech- en servicepartijen hebben relatief veel capaciteit om werkgroepen te voeden en consultatiereacties te beïnvloeden. (h2owaternetwerk.nl)
Het effect daarvan zie je terug in de toon van lobby: liever “risicogestuurde aanpak”, “interoperabiliteit”, “EU-kaders” en “strategische autonomie” dan harde nationale uitsluitingen of locatie-specifieke disclosure die politiek wapens kan worden.
Dat wil niet zeggen dat de brancheverenigingen één-op-één de lijn van hyperscalers volgen. Maar het betekent wel dat hun “bandbreedte” vaak samenvalt met wat voor de grootste leden acceptabel is — en dat transparantie daardoor geregeld pas versnelt wanneer regelgeving het afdwingt.
Waarom dit nu kantelt: transparantie wordt een randvoorwaarde voor groei
De sector kan zich geen langdurige half-transparantie meer permitteren. Niet om morele redenen, maar omdat vergunningverlening, netprioritering en maatschappelijk draagvlak ervan afhankelijk worden.
De publieke discussie is inmiddels hard: media signaleren expliciet dat gegevens ontbreken en dat overheden moeite hebben om complete beelden te krijgen. (NU.nl) In een tijd van netcongestie en lokale waterstress is “trust me” geen beleidsinstrument.
Wat is een volwassen uitweg?
Als de brancheverenigingen hun legitimiteit willen behouden, zijn drie stappen logisch:
- Van macro naar gecontroleerde micro-transparantie – Publiceer minimaal op locatie-niveau: jaarlijks stroomverbruik, piekvermogen, koelmethode, waterbron (leiding/grond/oppervlakte), WUE-methodiek en restwarmte-status. Niet om te shamen, maar om planning mogelijk te maken.
- Maak definities auditbaar en uniform – Als PUE/WUE-rapportage leidt tot eindeloze discussies, verliest het draagvlak. Brancheverenigingen moeten standaardisatie afdwingen bij leden, niet alleen “uitleggen waarom het lastig is”.
- Koppel transparantie aan wederkerigheid ‑Transparantie is geen eenrichtingsverkeer. Als sector kun je eisen dat beleidsmakers transparant zijn over afwegingskaders: welke waarde (banen, innovatie, digitale soevereiniteit, warmtenetten) weegt mee tegen welke lokale druk (net, water, ruimte)?
De afgelopen tien jaar heeft de datacentersector in Nederland vaak geprobeerd tijd te winnen: door te relativeren, te onderhandelen over definities en transparantie te doseren. Die strategie was begrijpelijk in een periode waarin datacenters nog als “bedrijfsmatige vastgoedasset” werden gezien. Maar dat tijdperk is voorbij. Datacenters zijn kritieke infrastructuur — en wie kritieke infrastructuur wil uitbreiden in een schaarstelandschap, moet meetbaar, vergelijkbaar en controleerbaar zijn. Transparantie is geen last meer; het is de toegangspas tot de volgende groeifase.
DDA en NLdigital kunnen hun lobby “resetten” door transparantie niet langer als defensief compliance-dossier te behandelen, maar als een proactief sectorconvenant dat vergunningverlening en netplanning juist faciliteert. Concreet: spreek als verenigingen één gezamenlijke Transparantie- en Verantwoordingscode af waarin leden zich committeren aan jaarlijkse publicatie (op locatieniveau) van minimaal: totaal elektriciteitsverbruik, gecontracteerd en gemeten piekvermogen, PUE (met meetgrenzen), WUE (met waterbron- en meetmethodiek), restwarmte-status en een korte toelichting op energieflexibiliteit (bijv. batterijen/curtailment/demand response). Borg dit met een light-audit (derde partij, steekproefsgewijs) en een uniforme datasjabloon die aansluit op EED-rapportage, zodat “één keer meten, meervoudig gebruiken” ontstaat. Koppel daar een lobbydeal aan: in ruil voor deze voorspelbare, verifieerbare transparantie vragen DDA en NLdigital aan Rijk en decentrale overheden een expliciet, openbaar afwegingskader voor nieuwe aansluitingen en vergunningen (inclusief doorlooptijden en criteria), zodat het debat verschuift van incidentgedreven verontwaardiging naar bestuurbare, toetsbare besluitvorming.

0 reacties