De snelle groei van AI zorgt ervoor dat de discussie over datacenters in Europa steeds minder draait om grond, glasvezel en bouwvergunningen, en steeds vaker om de vraag waar voldoende elektriciteit vandaan moet komen. Vooral in Nederland, Ierland, Duitsland en Denemarken begint de beschikbare netcapaciteit een harde grens te vormen voor verdere groei.
Wereldwijd verbruiken datacenters inmiddels naar schatting 67,7 gigawatt aan elektriciteit. Dat komt overeen met ongeveer 1,9 procent van de totale mondiale elektriciteitsproductie en betekent een stijging van 17 procent in één jaar. AI-datacenters zagen hun stroomverbruik in 2025 zelfs met ongeveer 50 procent toenemen. Volgens prognoses kan het totale wereldwijde elektriciteitsgebruik van datacenters richting 2030 oplopen tot circa 945 terawattuur, ruim twee keer zoveel als nu.
Europa neemt momenteel ongeveer 122 terawattuur voor zijn rekening. Dat is minder dan de 277 terawattuur in Noord- en Zuid-Amerika, maar de impact op de beschikbare Europese elektriciteitsnetten is relatief groot. Datacenters gebruiken gemiddeld 2,5 procent van de Europese elektriciteit, tegenover 0,8 procent in de regio Azië-Pacific.
Nederland behoort tot de zwaarst belaste markten
Vooral Nederland springt eruit. Nederlandse datacenters verbruiken volgens het rapport circa 13,7 terawattuur per jaar. Daarmee is ongeveer 12 procent van het nationale elektriciteitsnet aan datacenters toe te schrijven. Alleen Ierland en Singapore kennen een nog grotere relatieve belasting.
De cijfers laten zien waarom nieuwe hyperscaleprojecten in Nederland al langere tijd onder een vergrootglas liggen. Zelfs wanneer een datacenter technisch en ruimtelijk kan worden ingepast, betekent dit nog niet dat een netbeheerder op korte termijn voldoende capaciteit kan leveren.
Dat probleem speelt ook in Duitsland, waar datacenters naar schatting 48 terawattuur gebruiken. Dat is ongeveer 9,5 procent van het nationale elektriciteitsverbruik. Frankrijk beschikt met circa 14,3 terawattuur over een kleinere datacenterbelasting en heeft volgens de analyse nog ongeveer 1,7 gigawatt aan theoretische ruimte voordat nieuwe elektriciteitsproductie noodzakelijk wordt.
België bevindt zich in een andere uitgangspositie. Het rapport noemt geen uitzonderlijk hoge datacenterbelasting voor het Belgische net, terwijl het land wel over een relatief groot aandeel duurzame en CO2-arme elektriciteit beschikt. Ongeveer 79,7 procent van de Belgische elektriciteitsproductie wordt in de studie als duurzaam aangemerkt. Kernenergie is met 46,4 procent de grootste component, gevolgd door windenergie met 18,2 procent en zonne-energie met 9,7 procent.
Voor Luxemburg wordt het aandeel duurzame elektriciteit op 19,6 procent geschat. Het land scoort wel relatief gunstig wanneer de uitstoot wordt afgezet tegen de economische productie. Ook België en Nederland behoren volgens deze maatstaf tot de efficiëntere Europese economieën.
Ierland kiest voor ‘breng uw eigen stroom mee’
Ierland laat zien welke richting het Europese beleid kan inslaan. Datacenters zijn daar inmiddels goed voor meer dan een vijfde van het nationale elektriciteitsverbruik. Na een periode van zware beperkingen introduceerde de Ierse toezichthouder eind 2025 een nieuw aansluitbeleid voor grote energiegebruikers.
Nieuwe datacenters moeten voortaan in feite hun eigen elektriciteitsvoorziening organiseren. Zij moeten over lokale of nabijgelegen productiecapaciteit en opslag beschikken die hun maximale stroomvraag kan afdekken. Deze elektriciteit moet bovendien beschikbaar komen voor de bredere Ierse energiemarkt, zodat de installatie ook bijdraagt aan de stabiliteit van het nationale net.
Daarnaast moeten nieuwe faciliteiten binnen zes jaar minimaal 80 procent van hun jaarlijkse elektriciteitsgebruik koppelen aan aanvullende hernieuwbare energieprojecten in Ierland. Een datacenter kan daardoor niet langer volstaan met het inkopen van bestaande groene stroomcertificaten.
Volgens het Global Energy Report 2026 van IDCA kunnen dergelijke regionale voorwaarden noodzakelijk worden omdat één wereldwijde aanpak voor de energievoorziening van datacenters niet bestaat. Nationale netstructuren, beschikbare energiebronnen, klimaatdoelstellingen en het draagvlak onder omwonenden verschillen daarvoor te sterk.
Warmte moet een bruikbaar product worden
Europa loopt ondertussen voorop bij pogingen om datacenters niet alleen als energieverbruikers, maar ook als onderdeel van lokale energiesystemen te behandelen. Vooral het hergebruik van restwarmte krijgt daarbij aandacht.
In Finland werkt Microsoft samen met energiebedrijf Fortum aan datacenters die uiteindelijk ongeveer 40 procent van de stadsverwarming voor circa 250.000 inwoners moeten leveren. Een ander datacenter in Helsinki brengt de afgevangen warmte op een temperatuur van ongeveer 90 graden, zodat deze in een stedelijk warmtenet kan worden gebruikt.
Ook in Denemarken leveren datacenters al warmte aan gemeentelijke netwerken. In Ierland bespaarde het warmtenet van Tallaght in het eerste jaar naar schatting 1.100 ton CO2 door warmte van een nabijgelegen datacenter naar andere gebouwen te transporteren. Stockholm heeft inmiddels ongeveer dertig datacenters op het stadsverwarmingsnet aangesloten.
Voor Nederland en België is deze ontwikkeling relevant, maar restwarmtebenutting is alleen haalbaar wanneer datacenters dicht genoeg bij woningen, kantoren, kassen of industriële afnemers liggen. Ook moeten warmtenetten beschikbaar zijn en moeten temperatuur, leveringszekerheid en seizoensgebonden vraag op elkaar aansluiten.
Waterbesparing kan elektriciteitsvraag verhogen
Een andere Europese uitdaging is de overstap naar vloeistofkoeling. Direct-to-chipkoeling met een gesloten watercircuit kan het lokale watergebruik sterk terugdringen. Dat is vooral belangrijk in regio’s waar drinkwater en industriewater schaars worden.
De keerzijde is dat sommige vloeistofkoelsystemen meer elektrische apparatuur nodig hebben, zoals pompen en warmtewisselaars. Het milieuprobleem kan daarmee verschuiven van de watervoorziening naar het elektriciteitsnet.
Daar komt bij dat het indirecte watergebruik buiten het datacenter vaak buiten beeld blijft. Zelfs een datacenter dat zelf nauwelijks water gebruikt, kan indirect een aanzienlijke watervoetafdruk hebben wanneer de elektriciteit wordt geproduceerd in conventionele centrales die veel koelwater nodig hebben.
Niet alleen méér energie, maar ook minder verspilling
De Europese discussie hoeft daarom niet uitsluitend over nieuwe centrales, netverzwaring en batterijparken te gaan. Datacenters kunnen ook capaciteit vrijmaken door ongebruikte applicaties, cloudomgevingen en containers uit te schakelen.
In de Verenigde Staten zou ongeveer 13 procent van het datacenterverbruik naar dergelijke ‘zombie workloads’ gaan. Dat vertegenwoordigt meer dan 3 gigawatt aan verspilde capaciteit. Hoewel het rapport hiervoor geen afzonderlijk Europees cijfer geeft, ligt het voor de hand dat ook Europese organisaties ongebruikte cloudresources en servers in bedrijf houden.
Voor datacenteroperators en cloudgebruikers in de Benelux betekent dit dat energiebeheer steeds verder de IT-omgeving in schuift. Het optimaliseren van koeling en stroomdistributie blijft belangrijk, maar ook applicatiebeheer, workloadplanning en capaciteitsmanagement worden onderdeel van de energievraag.
De conclusie voor Europa is daarmee duidelijk: nieuwe datacenters zullen vaker moeten aantonen wat zij aan het energiesysteem toevoegen. Alleen stroom afnemen is in markten met netcongestie steeds minder houdbaar. Eigen opwekking, batterijopslag, flexibele workloads, warmtebenutting en het verwijderen van verspilde IT-capaciteit worden daardoor geen losse duurzaamheidsmaatregelen, maar voorwaarden voor verdere groei.

0 Reacties