28 april 2026

0 Reactie(s)

28 april 2026

De EED-rapportageplicht: wat levert het werkelijk op?

Sinds 2024 verplicht de Europese Energie-effici­ën­tie­richt­lijn (EED) datacen­ters boven de 500 kW tot jaarlijkse rappor­tage over energie­ver­bruik, water­ge­bruik, PUE en restwarm­te­be­nut­ting. De eerste resul­taten zijn teleur­stel­lend: slechts 36% van de Europese datacen­ters rappor­teerde, de datakwa­li­teit is wisse­lend en cruciale metrics zoals IT-benut­ting, GPU-idle-verbruik en water­ver­bruik per AI-run ontbreken volledig. Handha­ving is feite­lijk non-existent.

Tegelij­ker­tijd onder­mijnt de opmars van vloei­stof­koe­ling — direct-to-chip en immersion cooling — de toch al beperkte waarde van PUE als effici­ën­tie­maat­staf. Vloei­stof­koe­ling verlaagt de PUE, maar veran­dert tegelijk de teller én de noemer van de bereke­ning, waardoor verge­lij­king met lucht­ge­koelde omgevingen feite­lijk onmoge­lijk wordt. Terwijl de sector enthou­siast PUE-winst commu­ni­ceert, stijgt het absolute energie­ver­bruik door hogere vermogensdichtheden.

De conclusie is scherp: de EED meet wat meetbaar is, niet wat ertoe doet. Zolang IT-benut­ting, GPU-effici­ëntie en systeem­output buiten het rappor­ta­ge­kader vallen, blijft duurzaam­heids­rap­por­tage een infra­struc­tuur­audit — geen bewijs van werke­lijke efficiëntieverbetering.

  • Wat nodig is: uitbrei­ding van het EED-kader met de Server Idle Coeffi­cient (SIC), verplichte
  • GPU-rappor­tage, een TUE-equiva­lent voor vloei­stof­ge­koelde omgevingen en echte handhaving.

De EED-rapportageplicht: het kader op papier

Sinds 2024 zijn Europese datacen­ters met een geïnstal­leerd IT-vermogen van minimaal 500 kW verplicht jaarlijks te rappor­teren aan een Europese database. De verplich­ting vloeit voort uit Artikel 12 van de herziene Energy Effici­ency Direc­tive (EED, 2023/​1791) en de bijbe­ho­rende Gedele­geerde Veror­de­ning 2024/​1364. Op papier is het ambitieus: energie­ver­bruik, water­ver­bruik, PUE, tempe­ra­tuur­in­stel­lingen, restwarm­te­be­nut­ting, gebruik van hernieuw­bare energie en — vanaf 2025 — ook IT-appara­tuur­ca­pa­ci­teit voor nieuw geïnstal­leerde servers.

De intentie is helder. De Europese Commissie wil inzicht krijgen in de milieu-impact van datacen­ters, wil gericht beleid kunnen maken en wil — indien de data daartoe aanlei­ding geven — minimale presta­tie­normen kunnen instellen. De eerste rappor­ta­ge­ter­mijn liep tot 15 september 2024 (over kalen­der­jaar 2023). Vanaf 2025 geldt 15 mei als jaarlijkse deadline.

Het klinkt als een solide funda­ment. De werke­lijk­heid is minder bemoedigend.

De eerste resultaten: een sobere balans

De Europese Commissie liet een evalu­a­tie­rap­port opstellen op basis van de in 2024 gerap­por­teerde data. De uitkomst is veelzeg­gend: slechts 36% van de datacen­ters in de EU die aan de verplich­ting onder­hevig zijn, diende daadwer­ke­lijk een rappor­tage in. Dat komt neer op 770 locaties van naar schat­ting ruim 2.100 in scope.

In Neder­land was het beeld niet beter. Van de 160 datacen­ters die moesten rappor­teren aan de RVO (Rijks­dienst voor Onder­ne­mend Neder­land), lieten 27 cruciale velden leeg — vrijwel uitslui­tend partijen met Ameri­kaans eigendom. De RVO beschikt niet over juridi­sche instru­menten om aanvul­lende infor­matie af te dwingen. Het gevolg: lege formu­lieren zonder consequenties.

De Europese Commissie erkent in haar evalu­atie dat de kwali­teit en volle­dig­heid van de gerap­por­teerde gegevens ‘beter kunnen’ en doet voorstellen om het systeem ‘duide­lijker, betrouw­baarder en makke­lijker in gebruik te maken’. Dat zijn vrien­de­lijke omschrij­vingen voor een systeem dat in zijn eerste jaar struc­tu­reel tekortschiet.

De tabel maakt het patroon zicht­baar: de EED meet wat infra­struc­tu­reel zicht­baar is. Wat op IT-niveau gebeurt — benut­ting, verspil­ling, GPU-gedrag — blijft buiten beeld. Dat is geen toeval. Het is een weerspie­ge­ling van hoe de sector zichzelf al jaren presen­teert: als infra­struc­tuur­le­ve­ran­cier, niet als beheerder van digitale output.

PUE in de EED: een vertrouwde metric met bekende tekortkomingen

PUE is de centrale metric in het EED-rappor­ta­ge­kader. Dat is begrij­pe­lijk: het is de bekendste, meest gestan­daar­di­seerde en breed beschik­bare indicator voor datacen­te­r­ef­fi­ci­ëntie. Maar wie mijn eerdere analyse van PUE heeft gelezen, weet dat deze keuze een funda­men­teel probleem meebrengt.

PUE meet de verhou­ding tussen het totale datacenter­ver­bruik en het IT-verbruik. Een PUE van 1,2 betekent dat 20% van de totale energie opgaat aan onder­steu­nende systemen — koeling, UPS, verlich­ting. Dat is infra­struc­tu­rele effici­ëntie. Het zegt niets over wat de IT-appara­tuur daadwer­ke­lijk doet met die energie.

Een datacenter met 35% server­be­nut­ting en een PUE van 1,15 scoort in het EED-kader beter dan een datacenter met 80% benut­ting en een PUE van 1,35. Dat is systeem­lo­gisch onhoud­baar. De eerste omgeving verspilt struc­tu­reel IT-capaci­teit; de tweede benut haar infra­struc­tuur efficiënt. PUE maakt dat onder­scheid niet — en de EED ook niet.

In mijn eerdere artikelen heb ik de Server Idle Coeffi­cient (SIC) geïntro­du­ceerd als noodza­ke­lijke aanvul­ling: een metric die meet welk deel van het energie­ver­bruik van IT-appara­tuur plaats­vindt terwijl er geen functi­o­nele output wordt geleverd. Zonder SIC — of een equiva­lent — blijft de EED struc­tu­reel blind voor de grootste ineffi­ci­ën­ties in moderne datacen­ters: onder­be­zet­ting en waste.

Vloeistofkoeling: efficiëntiewinst of metriekvervuiling?

Terwijl de EED PUE centraal stelt, onder­mijnt een techno­lo­gi­sche ontwik­ke­ling die momen­teel in hoog tempo wordt omarmd, de bruik­baar­heid van die metric verder: vloeistofkoeling.

Direct-to-chip koeling, immersion cooling en rear-door heat exchan­gers zijn geen toekomst­mu­ziek meer. Ze zijn mainstream geworden, gedreven door de explo­sieve groei van GPU-clusters voor AI-workloads. Racks met vermo­gens van 80 tot 120 kW per rack — tegen­over 5 tot 15 kW bij tradi­ti­o­nele enter­prise-IT — zijn met lucht­koe­ling niet meer beheers­baar. De markt voor vloei­stof­koe­ling in AI-datacen­ters groeit met meer dan 30% per jaar.

De koelings­winst is reëel. Onder­zoek gepubli­ceerd door NVIDIA en Vertiv toont aan dat vloei­stof­koe­ling het totale datacenter­ver­bruik met circa 10% kan verlagen, terwijl de Total Usage Effec­ti­ve­ness (TUE) meer dan 15% verbe­tert. Immersion cooling haalt PUE-waarden van 1,02 tot 1,05 — op papier indrukwekkend.

Het PUE-probleem bij vloeistofkoeling

Maar hier ontstaat een metriek­pro­bleem dat de sector groten­deels negeert. Vloei­stof­koe­ling veran­dert niet alleen de noemer van de PUE-bereke­ning (het IT-verbruik), maar ook de teller (het totale verbruik), op een manier die verge­lij­king met lucht­ge­koelde omgevingen onmoge­lijk maakt.

Bij conven­ti­o­nele lucht­koe­ling is de grens tussen ‘IT-verbruik’ en ‘facili­tair verbruik’ helder: de server verbruikt stroom, de CRAC-unit verbruikt stroom, en de PUE is de ratio. Bij vloei­stof­koe­ling lopen die grenzen door elkaar. Een warmte­wis­se­laar die direct op de chip is aange­sloten — is dat IT-verbruik of facili­tair verbruik? Pomp- en circu­la­tie­ver­mogen voor koelvloei­stof worden in sommige metho­dieken als IT-last beschouwd, in andere als overhead. Dat maakt PUE-verge­lij­king tussen vloei­stof- en lucht­ge­koelde datacen­ters feite­lijk appels-en-peren.

Het weten­schap­pe­lijk onder­zoek naar de HAWK-super­com­puter (gepubli­ceerd in Scien­ce­Di­rect, 2025) laat dit concreet zien: een lagere PUE hoeft bij vloei­stof­koe­ling niet samen te gaan met lager totaal energie­ver­bruik. De optimale instel­ling hangt af van buiten­tem­pe­ra­tuur, toevoer­tem­pe­ra­tuur van het koelwater en de mix tussen vloei­stof- en lucht­koe­ling in het systeem. Met andere woorden: een lagere PUE kan het gevolg zijn van een parame­ter­keuze, niet van echte efficiëntieverbetering.

Hogere dichtheid, hoger absoluut verbruik

Er is nog een funda­men­teel punt dat in de sector weinig aandacht krijgt. Vloei­stof­koe­ling maakt hogere vermo­gens­dicht­heden mogelijk — en die mogelijk­heid wordt benut. Racks die voorheen op 10 kW draaiden, draaien nu op 80 tot 120 kW. Het gevolg: het absolute IT-verbruik per rack stijgt drama­tisch, terwijl de PUE daalt. Netto neemt het totale energie­ver­bruik van het datacenter toe — maar de gepre­sen­teerde PUE-verbe­te­ring wekt de indruk van efficiëntiewinst.

Dit is geen hypothe­ti­sche redene­ring. Het is de kern van de AI-energie­pa­radox: betere koelings­tech­no­logie maakt hogere dicht­heid mogelijk, hogere dicht­heid vraagt om meer energie, en de metric die het resul­taat zou moeten meten — PUE — wordt door diezelfde techno­logie minder betrouwbaar.

Wat de EED nu zou moeten toevoegen

De Europese Commissie heeft in haar evalu­a­tie­rap­port (oktober 2025) voorge­steld om het rappor­ta­ge­sys­teem te verbe­teren, met onder meer aandacht voor minimale presta­tie­normen. Dat is de juiste richting. Maar de voorstellen blijven steken in het bekende kader: meer van hetzelfde meten, beter meten, uniformer meten.

Wat ontbreekt is een funda­men­tele uitbrei­ding van het metriek­kader. Op drie punten zijn concrete stappen nodig:

IT-benutting als verplichte indicator

Energie­ver­bruik zonder koppe­ling aan IT-output is beteke­nis­loos. De EED zou verplicht moeten stellen dat datacen­ters rappor­teren over hun gemid­delde server­be­nut­ting — het percen­tage van de geïnstal­leerde IT-capaci­teit dat daadwer­ke­lijk actief werk verricht. De Server Idle Coeffi­cient (SIC) biedt daarvoor een opera­ti­o­neel toepas­baar kader.

Een datacenter dat 40% van zijn servers struc­tu­reel idle laat draaien terwijl de energie­meter doorloopt, is niet efficiënt — ongeacht de PUE. Zolang de EED dat niet meet, ontbreekt de helft van het verhaal.

GPU-rapportage als aparte categorie

GPU-omgevingen gedragen zich funda­men­teel anders dan CPU-gedreven datacen­ters. Ze kennen extreme piekver­mo­gens, sterke lastfluc­tu­a­ties en signi­fi­cant idle-verbruik — ook buiten trainings­runs. De huidige EED-verplich­ting behan­delt alle IT-appara­tuur als één categorie. Dat leidt tot struc­tu­rele verte­ke­ning in omgevingen waar GPU-clusters dominant zijn.

Verplichte GPU-rappor­tage — inclu­sief idle-verbruik, thermi­sche thrott­ling en energie per inferentie — is geen luxe. Het is een voorwaarde voor beleid dat aansluit op de werke­lijk­heid van AI-infrastructuur.

Een TUE-equivalent als aanvullende metric voor vloeistofkoeling

De Total Usage Effec­ti­ve­ness (TUE) — de verhou­ding tussen totale datacen­te­r­energie en energie gebruikt door daadwer­ke­lijke reken­een­heden (CPU, GPU, geheugen) — biedt een robuuster alter­na­tief voor PUE in omgevingen met vloei­stof­koe­ling. Daarmee worden pomp- en circu­la­tie­ver­liezen zicht­baar gemaakt en wordt appels-met-appels-verge­lij­king tussen koelings­tech­no­lo­gieën mogelijk.

De EED zou TUE als aanvul­lende verplichte metric moeten voorschrijven voor datacen­ters boven een bepaalde vermo­gens­dicht­heid, of voor omgevingen waar vloei­stof­koe­ling meer dan 30% van de IT-last afhandelt.

Handhaving: de achilleshiel van het systeem

De EED bevat geen verplichte sancties voor niet-rappor­te­rende datacen­ters. Lidstaten mogen zelf handha­vings­me­cha­nismen inrichten — maar de praktijk laat zien dat dit in de meeste landen niet of nauwe­lijks is uitge­werkt. In Neder­land heeft de RVO geen juridisch instru­ment om onvol­le­dige rappor­tages af te dwingen. In andere lidstaten is de situatie vergelijkbaar.

Het resul­taat: van de datacen­ters die verplicht zijn te rappor­teren, rappor­teert 64% niet. Van degenen die wel rappor­teren, levert een signi­fi­cant deel onvol­le­dige data. Grote Ameri­kaanse hypers­ca­lers laten velden leeg — en onder­vinden daar geen enkel gevolg van. Kamer­vragen in de Tweede Kamer over het gedrag van Micro­soft en Google leverden vier maanden later pas een minis­te­riële beant­woor­ding op.

Een rappor­ta­ge­plicht zonder handha­ving is een vrijwil­lige medede­ling. Dat is funda­men­teel iets anders dan wat de EED beoogde.

Wat dit betekent voor de sector

De conclusie is niet dat de EED waarde­loos is. De verplich­ting tot rappor­tage over energie­ver­bruik, water­ge­bruik en PUE is een stap in de goede richting. Ze dwingt datacen­ters na te denken over hun meetin­fra­struc­tuur, stimu­leert unifor­me­ring en biedt de Europese Commissie een basis voor beleid.

Maar ze meet wat meetbaar is, niet wat ertoe doet. Zolang IT-benut­ting, GPU-effici­ëntie en systeem­output buiten het kader vallen, blijft de EED-rappor­tage een infra­struc­tuur­audit — geen bewijs van werke­lijke efficiëntieverbetering.

Voor de sector geldt: wie wacht op minimale verplich­tingen en dan exact dat rappor­teert wat de wet vraagt, mist de kans om het verhaal zelf te vertellen. De bedrijven die nu al vrijwillig rappor­teren over SIC, GPU-benut­ting en werke­lijk terug­ge­le­verde restwarmte, bouwen aan de legiti­mi­teit die de sector nodig heeft om vergun­ningen te krijgen, draag­vlak te behouden en netcon­gestie­dis­cus­sies met feiten te onderbouwen.

Trans­pa­rantie is geen compli­ance-oefening. Het is een strate­gi­sche keuze — en voor een sector die zichzelf kritieke infra­struc­tuur noemt, ook een morele verplichting.

Marco Verzijl

Marco Verzijl

Marco Verzijl is voorzitter van de Save Energy Foundation en bestuurder bij Wcoolit BV en Zirrow BV

0 Reactie(s)

7 weergaven

0 Reactie(s)

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reacties gesloten

De reactiemogelijkheid is verlopen. (14 dagen)

Nieuwsbrief

Pin It on Pinterest

Share This