30 april 2026

0 Reactie(s)

30 april 2026

Datacenters hebben ruimte nodig, maar vooral vertrouwen

De vraag hoeveel ruimte datacen­ters in Neder­land mogen krijgen, is actueler dan ooit. In een recent artikel in Het Finan­ci­eele Dagblad (gratis te lezen) gaan DDA-direc­teur Stijn Grove en klimaat­ac­ti­vist en weten­schapper Guus Dix hierover met elkaar in gesprek. Op het eerste gezicht verte­gen­woor­digen zij twee uiter­sten in het debat. Grove benadrukt het belang van datacen­ters voor economie, digitale infra­struc­tuur en geopo­li­tieke weerbaar­heid. Dix waarschuwt juist voor ongeremde groei, extra energie­ver­bruik en de klimaat­im­pact van een sector die volgens hem te veel wordt gedreven door expansie. Toch raken zij elkaar op één essen­tieel punt: Neder­land mist een duide­lijke visie op digitale infrastructuur.

En precies daar zit de kern van het probleem. Datacen­ters zijn niet zomaar gebouwen vol servers. Ze vormen de ruggen­graat van onze digitale samen­le­ving. Zonder datacen­ters geen cloud, geen digitale overheid, geen zorgsys­temen, geen betalings­ver­keer, geen AI, geen cyber­se­cu­rity en geen moderne bedrijfs­voe­ring. Maar juist omdat datacen­ters zo belang­rijk zijn geworden, kan de sector zich niet langer verschuilen achter algemene uitspraken over innovatie, groene stroom of econo­mi­sche waarde.

De maatschap­pe­lijke weerstand tegen datacen­ters is niet uit de lucht komen vallen. Die weerstand is mede ontstaan doordat de sector jaren­lang onvol­doende trans­pa­rant is geweest over haar werke­lijke impact. Er is te weinig real data gedeeld over energie­ver­bruik, water­ge­bruik, restwarmte, netbe­las­ting en de daadwer­ke­lijke benut­ting van IT-capaci­teit. Daardoor is het debat steeds meer gevoerd op basis van senti­ment, incidenten en wantrouwen.

Het voorbeeld van Zeewolde speelt hierin een belang­rijke rol. De plannen voor een hypers­cale-datacenter van Facebook maakten duide­lijk dat een lokale beslis­sing grote natio­nale gevolgen kan hebben voor energie­ge­bruik, ruimte­be­slag en publieke accep­tatie. Dat één gemeente zo’n besluit kon nemen zonder stevig natio­naal kader, werd door velen ervaren als bestuur­lijk onbegrij­pe­lijk. Het was niet alleen een discussie over één datacenter, maar over de vraag wie bepaalt hoe Neder­land zijn schaarse ruimte, energie en digitale infra­struc­tuur inzet.

Grove heeft gelijk wanneer hij stelt dat Neder­land en Europa digitaal relevant moeten blijven. In een wereld waarin de Verenigde Staten en China de digitale infra­struc­tuur domineren, is het riskant om datacen­ters uitslui­tend als energie­pro­bleem te benaderen. Digitale soeve­rei­ni­teit, cloud­ca­pa­ci­teit, AI-ontwik­ke­ling en cyber­se­cu­rity vragen om eigen infra­struc­tuur. Maar Dix heeft eveneens een terecht punt wanneer hij stelt dat groei niet vanzelf­spre­kend als onver­mij­de­lijk mag worden gepre­sen­teerd. Niet elke workload heeft dezelfde maatschap­pe­lijke waarde. Een datacenter voor zorgdata, weten­schap­pe­lijk onder­zoek of publieke dienst­ver­le­ning is iets anders dan infra­struc­tuur voor einde­loze sociale media, crypto­mi­ning of puur commer­ciële AI-toepas­singen zonder aantoon­baar publiek belang.

Daarom moet de vraag niet zijn: willen we wel of geen datacen­ters? De betere vraag is: welke datacen­ters willen we, waar willen we ze, onder welke voorwaarden, en met welke maatschap­pe­lijke tegenprestatie?

Dat vraagt om natio­nale regie. Ruimte­lijke ordening, energie­plan­ning, digitale strategie en klimaat­be­leid kunnen niet langer los van elkaar worden bekeken. Datacen­ters vragen om stroom, water, glasvezel, ruimte en koeling. Tegelijk kunnen zij, mits goed ingepast, ook bijdragen aan energie­hubs, restwarm­te­be­nut­ting, batte­rij­op­slag en inves­te­ringen in duurzame infra­struc­tuur. Maar dat gebeurt niet vanzelf. Zonder duide­lijke kaders blijft het risico bestaan dat datacen­ters vooral capaci­teit claimen, terwijl de maatschap­pe­lijke meerwaarde onvol­doende zicht­baar is.

Daar komt het trans­pa­ran­tie­pro­bleem terug. De sector stelt vaak dat zij 100% groene stroom inkoopt en voorop­loopt in energie-effici­ëntie. Dat kan waar zijn, maar het is onvol­doende als die claims niet worden onder­bouwd met verge­lijk­bare, contro­leer­bare en begrij­pe­lijke data. Groene stroom­con­tracten zeggen niet automa­tisch iets over lokale netbe­las­ting. Een lage PUE zegt niet automa­tisch iets over nuttige IT-output. En duurzaam­heids­am­bi­ties zeggen weinig als de absolute energie­vraag sneller groeit dan de besparingen.

In een tijd van netcon­gestie, drink­wa­ter­druk en klimaat­doelen moet elke grote energie­ge­bruiker kunnen uitleggen wat hij gebruikt, wanneer hij dat gebruikt, waarom dat nodig is en wat hij terug levert aan de samen­le­ving. Voor datacen­ters betekent dit dat trans­pa­rantie geen commu­ni­catie-instru­ment meer is, maar een voorwaarde voor legitimiteit.

De Europese rappor­ta­ge­plicht onder de Energy Effici­ency Direc­tive is daarom een belang­rijke stap. Datacen­ters moeten meer infor­matie gaan rappor­teren over energie­pres­ta­ties, water­ge­bruik, herge­bruik van energie en andere duurzaam­heids­in­di­ca­toren. Maar wette­lijke rappor­tage alleen is niet voldoende. Als gegevens vooral geaggre­geerd of op sector­ni­veau worden gedeeld, helpt dat beleids­ma­kers, maar niet automa­tisch gemeenten, omwonenden of netbe­heer­ders die de lokale impact willen begrijpen.

De sector zou daarom verder moeten gaan dan minimale compli­ance. Publi­ceer real data over energie­ver­bruik, piekbe­las­ting, water­ge­bruik, restwarm­te­be­nut­ting, IT-effici­ency en benut­tings­graden. Maak onder­scheid tussen ontwerp­waarden en praktijk­pres­ta­ties. Laat onafhan­ke­lijke partijen meekijken naar defini­ties, metingen en rappor­tages. En koppel dat aan de vraag welke publieke of econo­mi­sche waarde de gebruikte capaci­teit oplevert.

Dat is geen aanval op datacen­ters. Het is juist de route naar volwas­sen­heid van de sector.

Datacen­ters zullen alleen maatschap­pe­lijk geaccep­teerd blijven als zij aantonen dat zij zorgvuldig omgaan met schaarse middelen. Niet met algemene beloften, maar met feiten. Niet alleen met techni­sche effici­ëntie, maar met maatschap­pe­lijke relevantie. Niet alleen door te zeggen dat zij belang­rijk zijn, maar door zicht­baar te maken waarom, waarvoor en onder welke voorwaarden.

Neder­land heeft digitale infra­struc­tuur nodig. Maar Neder­land heeft ook ruimte, energie, water en vertrouwen nodig. De toekomst van datacen­ters hangt daarom niet alleen af van vergun­ningen, stroom­aan­slui­tingen en inves­te­rings­ka­pi­taal. Zij hangt vooral af van de bereid­heid van de sector om openheid te geven.

Want wie ruimte vraagt in een schaars land, moet ook inzicht geven in zijn werke­lijke impact. Datacen­ters hebben zeker een plaats in Neder­land. Maar die plaats moet verdiend worden met trans­pa­rantie, real data en aantoon­bare maatschap­pe­lijke waarde.

Marco Verzijl

Marco Verzijl

Marco Verzijl is voorzitter van de Save Energy Foundation en bestuurder bij Wcoolit BV en Zirrow BV

0 Reactie(s)

4 weergaven

0 Reactie(s)

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reacties gesloten

De reactiemogelijkheid is verlopen. (14 dagen)

Nieuwsbrief

Pin It on Pinterest

Share This