Amerikaanse cybersecuritybedrijven kunnen binnenkort worden ingezet voor offensieve operaties tegen buitenlandse cybercriminele organisaties. Dat betekent echter niet dat iedere getroffen onderneming voortaan zelf achter ransomwaregroepen aan mag gaan. Volgens Corey Brunkow, directeur Federal Operations bij Horizon3, blijft de Amerikaanse overheid bepalen wie wordt aangevallen, met welk doel en binnen welke operationele grenzen. Horizon3 heeft een grotendeels autonoom functionerend platform voor pentesting ontwikkeld waarmee organisaties hun eigen cybersecurity-aanpak kunnen testen. Voor Europese CIO’s en CISO’s roept het programma ondertussen belangrijke vragen op.
Met een presidentieel memorandum van 12 augustus 2026 zet de Amerikaanse regering een opmerkelijke stap in de bestrijding van internationale cybercriminaliteit. President Donald Trump heeft opdracht gegeven een programma op te zetten waarin geselecteerde Amerikaanse bedrijven mogen meewerken aan cyberoperaties tegen buitenlandse criminele organisaties.

Het gaat daarbij niet alleen om het verzamelen van informatie. Het memorandum maakt ook zogenoemde “cyber effects operations” mogelijk. Dat zijn operaties die systemen, netwerken, gegevens of digitaal aangestuurde infrastructuur kunnen manipuleren, verstoren, onbruikbaar maken of vernietigen.
Daarmee begeeft de Amerikaanse overheid zich op terrein dat tot nu toe vrijwel volledig was voorbehouden aan overheidsdiensten, inlichtingendiensten en militaire cybercommando’s. Private ondernemingen mochten hun eigen systemen verdedigen en binnen afgesproken grenzen penetratietesten uitvoeren, maar het binnendringen of uitschakelen van infrastructuur van een aanvaller gold als een duidelijke rode lijn.
Toch betekent het memorandum volgens Corey Brunkow, directeur Federal Operations bij securitybedrijf Horizon3, niet dat private bedrijven een algemene vergunning krijgen om terug te slaan. De term “hack back” kan daardoor gemakkelijk een verkeerd beeld oproepen.
Geen vrijbrief om zelf terug te slaan
De kern van het nieuwe programma is dat operaties onder de controle, het toezicht en de juridische bevoegdheden van de Amerikaanse overheid moeten plaatsvinden. De deelnemende bedrijven voeren dus geen zelfstandig gekozen offensieve campagnes uit. Zij werken namens de overheid aan een specifiek omschreven operatie waarvoor vooraf toestemming is verleend.
Het programma komt onder leiding te staan van twee functionarissen: één aangewezen door het Amerikaanse ministerie van Justitie en één door het Department of Homeland Security. Iedere operatie moet worden beoordeeld en schriftelijk worden goedgekeurd. Een bedrijf mag pas handelen nadat het concrete instructies heeft ontvangen.
Daarmee blijft de belangrijkste grens volgens Brunkow intact. Een bedrijf dat wordt getroffen door ransomware mag niet op eigen initiatief servers van een vermoedelijke aanvaller binnendringen, gegevens verwijderen of infrastructuur uitschakelen. Ook een securityleverancier kan niet zelfstandig besluiten dat een bepaalde groep of server een legitiem doelwit vormt.
Het verschil is dat de overheid voortaan expliciet commerciële partijen kan contracteren om onderdelen van een officiële operatie uit te voeren. Die bedrijven functioneren dan feitelijk als zorgvuldig gecontroleerde uitvoerders binnen een onderzoek, inlichtingenoperatie of verstoringsactie van de federale overheid. De technische handelingen kunnen dan sterk lijken op activiteiten die normaal gesproken als computervredebreuk zouden gelden. De juridische basis komt echter niet van het bedrijf zelf, maar van de Amerikaanse overheidsinstantie die de operatie autoriseert en aanstuurt.
De Amerikaanse regering moet de uitvoeringsregels uiterlijk op 11 oktober 2026 vaststellen. Daarin komen onder meer eisen voor technische deskundigheid, bewezen operationele ervaring, fysieke beveiliging, betrouwbaarheid en screening van personeel. Zowel grote ondernemingen als kleinere gespecialiseerde bedrijven moeten volgens het memorandum kunnen deelnemen.
Meeste bedrijven worden informatieleverancier
Voor het overgrote deel van het bedrijfsleven verandert de dagelijkse praktijk veel minder. Een organisatie die slachtoffer wordt van ransomware, fraude of een andere cyberaanval zal niet zelf aan een offensieve operatie deelnemen. Haar belangrijkste rol ligt bij het verzamelen, bewaren en delen van bruikbare technische informatie.
Volgens Brunkow kan een incident pas bijdragen aan een mogelijke tegenoperatie wanneer gegevens voldoende gedetailleerd, betrouwbaar en reproduceerbaar zijn. Alleen melden dat een organisatie door een bepaalde ransomwaregroep is aangevallen, is niet genoeg. Onderzoekers moeten kunnen reconstrueren hoe de aanvallers binnenkwamen, welke infrastructuur zij gebruikten, hoe zij zich door het netwerk bewogen en met welke externe systemen zij communiceerden.
Voor getroffen bedrijven betekent dit dat zij onder meer netwerklogs, endpointtelemetrie, authenticatiegegevens en cloudlogs moeten veiligstellen. Ook IP-adressen, domeinnamen, malwarebestanden, hashes, gebruikte accounts, commando’s, tijdstippen, cryptowallets, phishingberichten en ransomwareberichten kunnen waardevol zijn.
Daarnaast moet informatie snel beschikbaar komen. Cybercriminelen wisselen regelmatig van infrastructuur, verwijderen systemen en verplaatsen gegevens. Een server die tijdens een incident actief wordt gebruikt, kan enkele dagen later alweer zijn ontmanteld of aan een andere klant zijn toegewezen.
Voor CIO’s en CISO’s betekent dit dat incidentrespons niet uitsluitend moet zijn gericht op herstel. Het veiligstellen van bewijsmateriaal, het vastleggen van een tijdlijn en het onderhouden van contacten met politie, toezichthouders, CERT’s en relevante leveranciers worden eveneens belangrijk.
Het memorandum biedt deelnemende Amerikaanse bedrijven expliciet de mogelijkheid commerciële afspraken te maken met andere private partijen, vertelt Brunkow. Zij mogen dreigingsinformatie ontvangen die deze organisaties tijdens hun normale bedrijfsactiviteiten verzamelen. Een slachtoffer, managed securityprovider, cloudleverancier of threat-intelligencebedrijf kan daardoor informatie aanleveren zonder zelf onderdeel te worden van een offensieve operatie.
Europese bedrijven kunnen niet rechtstreeks deelnemen
Het memorandum spreekt nadrukkelijk over private Amerikaanse bedrijven. Alleen ondernemingen uit de Verenigde Staten kunnen als officiële “Participating Company” worden toegelaten en rechtstreeks door het Department of Justice of Department of Homeland Security worden gecontracteerd.
Dat sluit Europese betrokkenheid echter niet volledig uit. Nederlandse en Belgische cybersecuritybedrijven kunnen bijvoorbeeld dreigingsinformatie, analyses, technologie of specialistische expertise leveren aan een Amerikaans bedrijf dat wel tot het programma is toegelaten.
Een Europese organisatie zou daarmee een leverancier, intelligencepartner of onderaannemer kunnen worden. De formele operationele verantwoordelijkheid blijft dan bij de Amerikaanse hoofdaannemer en de Amerikaanse overheid. Ook moet de deelnemende onderneming alle relevante contractuele relaties aan het National Coordination Center melden.
Hoe ver die indirecte deelname kan gaan, is nog niet duidelijk, zegt Brunkow. De operationele procedures moeten onder meer bepalen welke personeelsleden toegang mogen krijgen tot gevoelige informatie, waar werkzaamheden mogen worden uitgevoerd en welke veiligheidsmachtigingen nodig zijn. Het is goed mogelijk dat voor de meest gevoelige onderdelen uitsluitend gescreend Amerikaans personeel en infrastructuur in de Verenigde Staten mogen worden gebruikt.
Voor Europese bedrijven spelen bovendien eigen juridische verplichtingen. Denk aan de Algemene verordening gegevensbescherming, nationale strafwetgeving, contractuele geheimhouding en regels voor het doorgeven van persoonsgegevens of operationele data aan partijen buiten de Europese Economische Ruimte. Een Amerikaans contract of een Amerikaanse overheidsopdracht heft die verplichtingen niet op. Een Europese partij zal dus moeten vaststellen welke gegevens worden gedeeld, op welke rechtsgrond dat gebeurt en of de informatie ook gegevens van klanten, medewerkers of onschuldige derden bevat.
Impact op Europese infrastructuur
Een ingewikkelde situatie ontstaat wanneer cybercriminelen gebruikmaken van infrastructuur in Nederland, België of een ander Europees land. Ransomwaregroepen huren servers bij reguliere hostingbedrijven, gebruiken gekaapte systemen en misbruiken accounts bij grote cloudplatforms. De juridische eigenaar van een systeem is daardoor meestal niet de aanvaller.
Een Amerikaanse operatie kan dus een server identificeren die technisch onderdeel is van een criminele campagne, maar fysiek of juridisch onder de verantwoordelijkheid van een niet bij de criminele activiteiten betrokken Europese organisatie valt.
Volgens Brunkow mag een commercieel bedrijf in zo’n situatie niet zelfstandig besluiten om het systeem te verstoren. De Amerikaanse overheid moet de doelinformatie beoordelen, de operatie afstemmen met andere diensten en rekening houden met internationale verplichtingen en de belangen van bondgenoten.
Het memorandum schrijft daarom voor dat operaties vooraf tussen verschillende Amerikaanse organisaties worden afgestemd. Naast justitie en binnenlandse veiligheid kunnen ook het ministerie van Buitenlandse Zaken, het ministerie van Financiën, defensieorganisaties en inlichtingendiensten betrokken zijn.
Wanneer infrastructuur in Nederland of België in beeld komt, ligt samenwerking met de autoriteiten in dat land voor de hand, meent Brunkow. Zij kunnen bijvoorbeeld een hostingprovider benaderen, beslag laten leggen op een server of via een gerechtelijk bevel gegevens veiligstellen. Dat is vaak juridisch minder riskant dan een eenzijdige Amerikaanse digitale ingreep.
Tegelijk blijft dit een gevoelig punt. Het internet trekt zich weinig aan van landsgrenzen, terwijl opsporingsbevoegdheden juist sterk nationaal zijn georganiseerd. Een technisch zorgvuldig uitgevoerde operatie kan daardoor alsnog diplomatieke, strafrechtelijke of civielrechtelijke gevolgen hebben.
Attribution blijft groot risico
Een offensieve cyberoperatie vereist een veel grotere mate van zekerheid dan een defensieve beveiligingstest. Bij een penetratietest is duidelijk wie eigenaar is van de systemen en welke handelingen zijn toegestaan. Bij een operatie tegen een criminele organisatie moeten onderzoekers eerst vaststellen wie een systeem werkelijk gebruikt en voor welk doel.
Dat is lastig omdat cybercriminelen hun activiteiten uiteraard bewust verbergen. Zij gebruiken VPN-diensten, Tor, gekaapte servers, gehackte accounts en infrastructuur die met andere gebruikers wordt gedeeld. Ook imiteren groepen soms de werkwijze van andere aanvallers.
Een verkeerde identificatie kan ertoe leiden dat een systeem van een onschuldige organisatie wordt verstoord. In het ernstigste geval kan een operatie vitale processen raken of onbedoeld gevolgen hebben voor een ziekenhuis, telecomnetwerk, industrieel systeem of overheidsdienst.
Brunkow benadrukt daarom het belang van meerdere, onafhankelijke informatiebronnen. Technische indicatoren moeten worden gecombineerd met kennis over aanvalspatronen, infrastructuur, accounts, financiële transacties en eerdere operaties. Bovendien moet informatie actueel zijn. Een correct geïdentificeerde server kan inmiddels een andere eigenaar of functie hebben gekregen.
De uiteindelijke beslissing over een doelwit hoort volgens hem daarom niet bij de securityleverancier te liggen. Het bedrijf kan analyses maken en een operatie voorstellen, maar de overheid moet de informatie valideren, juridische toestemming regelen en bepalen welke effecten aanvaardbaar zijn.
Operaties die waarschijnlijk leiden tot doden, ernstig letsel of een situatie die internationaalrechtelijk als geweldgebruik of een gewapende aanval kan gelden, mogen niet via de reguliere procedure worden goedgekeurd. Daarvoor gelden aanvullende beperkingen, waarvan een deel in een geheime bijlage bij het memorandum is vastgelegd.
Nieuwe vragen voor CISO’s
Het programma kan een nieuwe commerciële markt creëren, meent Brunkow. Amerikaanse cybersecuritybedrijven kunnen niet alleen defensieve software, penetratietesten en incidentrespons leveren, maar ook capaciteit beschikbaar stellen voor door de overheid aangestuurde surveillance- en verstoringsoperaties.
Deelnemende bedrijven moeten contracten sluiten met de Amerikaanse overheid en kunnen worden verplicht minimaal één miljoen dollar als borg of in escrow aan te houden. Dat bedrag kan worden ingehouden wanneer zij zich niet aan de contractuele voorwaarden houden.
Voor leveranciers kan deelname aantrekkelijk zijn vanwege overheidscontracten, toegang tot dreigingsinformatie en de mogelijkheid nieuwe operationele expertise op te bouwen. Daar staan aanzienlijke risico’s tegenover. Criminele organisaties kunnen proberen wraak te nemen, medewerkers kunnen een doelwit worden en buitenlandse overheden kunnen de juridische bescherming van Amerikaanse deelnemers betwisten.
Ook voor klanten verandert er mogelijk iets. Europese CIO’s en CISO’s zullen willen weten of een Amerikaanse securityleverancier betrokken is bij offensieve overheidsprogramma’s. Niet omdat deelname automatisch een probleem vormt, maar omdat verschillende rollen vragen kunnen oproepen over vertrouwelijkheid, gegevensscheiding en belangenconflicten.
Een klant kan bijvoorbeeld willen weten of telemetrie die voor defensieve dienstverlening wordt verzameld, ook kan worden gebruikt om een operatie voor te stellen. Andere vragen gaan over de toegang van overheidsinstanties tot klantgegevens, de scheiding tussen commerciële en overheidsomgevingen en de kans dat een leverancier zelf doelwit wordt van vergeldingsacties.
Het memorandum bepaalt dat deelnemende bedrijven dreigingsinformatie mogen ontvangen uit de normale bedrijfsactiviteiten van andere ondernemingen. Dat maakt transparante contractuele afspraken essentieel. Klanten moeten kunnen begrijpen welke gegevens worden verzameld, voor welke doeleinden die mogen worden gebruikt en onder welke omstandigheden informatie aan de overheid of een operationele partner wordt verstrekt.
Veel details ontbreken nog
Horizon3 beschikt met zijn autonome pentestplatform NodeZero over technologie die aanvalspaden in bedrijfsomgevingen opspoort en aantoont welke kwetsbaarheden daadwerkelijk te misbruiken zijn. Het bedrijf werkt al voor Amerikaanse overheidsorganisaties en NodeZero heeft een zogeheten FedRAMP High-autorisatie. FedRAMP High is het hoogste beveiligingsniveau binnen het Amerikaanse Federal Risk and Authorization Management Program. Dit programma stelt beveiligingseisen aan clouddiensten die door Amerikaanse federale overheidsorganisaties worden gebruikt.
Daarmee beschikt Horizon3 volgens Brunkow over expertise die relevant kan zijn voor het programma. Dit betekent nog niet dat het bedrijf automatisch wordt toegelaten of dat zijn bestaande technologie zonder aanpassingen voor offensieve operaties kan worden ingezet. De definitieve criteria moeten immers nog worden gepubliceerd, zegt hij. Naast technische mogelijkheden zullen onder meer personeelscreening, operationele ervaring, beveiligde faciliteiten, rapportage, contractuele aansprakelijkheid en naleving van overheidsinstructies meewegen.
Ook de rol van internationale partners is nog onzeker. Een Nederlandse of Belgische Horizon3-partner zou mogelijk technische informatie, lokale kennis of expertise kunnen leveren. Of zo’n partner dichter bij de uitvoering van een operatie mag komen, hangt af van de komende procedures en van de gevoeligheid van de betreffende opdracht.
Voorlopig vooral veel voorbereidend werk
Het memorandum is een belangrijke beleidswijziging, maar nog geen volledig operationeel programma. De komende uitvoeringsregels moeten duidelijk maken hoe bedrijven worden geselecteerd, welke bewijzen nodig zijn om een doelwit te bepalen en hoe aansprakelijkheid, internationale samenwerking en toezicht worden geregeld.
Voor Europese IT-managers en CISO’s is er daarom nog geen reden om hun incidentrespons nu al volledig te herzien. Wel is dit een goed moment om te controleren of hun organisatie na een aanval voldoende technische gegevens kan bewaren en snel kan delen met bevoegde instanties.
Daarnaast verdient de relatie met Amerikaanse securityleveranciers aandacht. Organisaties kunnen in contracten en leveranciersgesprekken vragen opnemen over het gebruik van telemetrie, samenwerking met overheden, gegevensscheiding en eventuele deelname aan offensieve programma’s.
De fundamentele boodschap van Brunkow is duidelijk: private bedrijven zijn niet ineens zelf rechter, opsporingsdienst en uitvoerder van offensieve operaties geworden. De Amerikaanse overheid probeert specialistische kennis en snelheid in de markt te benutten, maar wil tegelijkertijd de juridische en operationele regie behouden.
De klassieke grens rond “hack back” verdwijnt daarmee vooralsnog niet. Er ontstaat een smalle, streng gecontroleerde doorgang waardoor geselecteerde, Amerikaanse bedrijven namens de overheid mogen opereren. Juist de manier waarop die doorgang wordt bewaakt, zal bepalen of het programma uitgroeit tot een effectief instrument tegen cybercriminaliteit of tot een nieuwe bron van juridische en inte

0 Reacties