5 augustus 2026

0 Reactie(s)

5 augustus 2026

Een duurzaam datacenter begint niet bij een belofte, maar bij controleerbaar bewijs

De snelle groei van kunst­ma­tige intel­li­gentie maakt datacen­ters tot een steeds belang­rijker onder­deel van onze economie en samen­le­ving, schrijft Marco Verzijl in een reactie op het arttikel “How To Inves­ti­gate Data Centers’ Impacts“. Vrijwel iedere digitale dienst, van elektro­ni­sche patiën­ten­dos­siers en finan­ciële trans­ac­ties tot cloud­soft­ware en genera­tieve AI, is afhan­ke­lijk van fysieke IT-infra­struc­tuur. Achter iedere digitale toepas­sing bevinden zich servers, opslag­ap­pa­ra­tuur, netwerk­com­po­nenten, koelsys­temen en energievoorzieningen.

Die fysieke werke­lijk­heid blijft in het publieke debat echter vaak onder­be­licht. Er wordt veel gesproken over de econo­mi­sche kansen van AI, digita­li­se­ring en cloud­tech­no­logie, maar aanzien­lijk minder over de vraag hoeveel energie, water, grond­stoffen en infra­struc­tuur daarvoor nodig zijn. Nog minder aandacht is er voor de vraag hoe efficiënt deze middelen daadwer­ke­lijk worden gebruikt.

Het Pulitzer Center publi­ceerde op 2 juli 2026 de onder­zoeks­lei­draad How To Inves­ti­gate Data Centers’ Impacts. De publi­catie is primair bedoeld voor journa­listen, maar zou wat mij betreft verplichte litera­tuur moeten zijn voor beleids­ma­kers, bestuur­ders, inves­teer­ders, datacen­te­r­ex­ploi­tanten en grote gebrui­kers van digitale infra­struc­tuur. De centrale boodschap is helder: neem claims over duurzaam­heid, energie, water, werkge­le­gen­heid en econo­mi­sche meerwaarde niet zonder onafhan­ke­lijke verifi­catie over.

Dat uitgangs­punt onder­schrijf ik volledig. Niet omdat datacen­ters per definitie ongewenst zijn, maar juist omdat ze onmis­baar zijn geworden. Essen­tiële infra­struc­tuur verdient een volwassen beoor­de­lings­kader dat gebaseerd is op actuele metingen, herleid­bare data en onafhan­ke­lijke verificatie.

Datacenters zijn industriële infrastructuur geworden

De tijd waarin een datacenter voorna­me­lijk werd gezien als een gebouw met enkele server­ruimtes ligt achter ons. De opkomst van genera­tieve AI heeft de schaal, vermo­gens­dicht­heid en energie­be­hoefte van datacen­ters funda­men­teel veranderd.

AI-systemen maken veelvuldig gebruik van krach­tige GPU’s en andere gespe­ci­a­li­seerde proces­sors. Hierdoor stijgt niet alleen het totale elektri­ci­teits­ge­bruik, maar neemt ook het vermogen per server en per rack sterk toe. Tegelij­ker­tijd wordt de koeling complexer en neemt het belang van netaan­slui­tingen, noodstroom­voor­zie­ningen en lokale energie-infra­struc­tuur toe.

Het Inter­na­ti­onal Energy Agency consta­teerde dat het elektri­ci­teits­ver­bruik van datacen­ters in 2025 wereld­wijd met ongeveer 17 procent toenam. Bij speci­fiek op AI gerichte datacen­ters lag de groei nog hoger. Dat is aanzien­lijk sneller dan de groei van de totale mondiale elektriciteitsvraag.

Datacen­ters moeten daarom niet langer uitslui­tend als vastgoed of als ICT-facili­teit worden beoor­deeld. Het zijn industriële energie­ge­brui­kers die onder­deel zijn van een bredere keten van elektri­ci­teits­pro­ductie, trans­port, koeling, digitale verwer­king en warmteafvoer.

Dat betekent ook dat de maatschap­pe­lijke beoor­de­ling verder moet gaan dan de vraag hoeveel megawatt een datacenter aansluit. We moeten weten wat er met die elektri­ci­teit gebeurt, hoeveel digitale presta­ties ermee worden geleverd en welke maatschap­pe­lijke waarde daarte­gen­over staat.

De discussie moet niet gaan over vóór of tegen datacenters

Het publieke debat wordt vaak geredu­ceerd tot twee kampen. Aan de ene kant staan partijen die datacen­ters presen­teren als noodza­ke­lijke motor van innovatie en econo­mi­sche groei. Aan de andere kant staan partijen die vooral wijzen op energie­ge­bruik, water­ver­bruik, geluid, ruimte­be­slag en druk op het elektriciteitsnet.

Deze tegen­stel­ling helpt ons niet verder.

Neder­land en Europa hebben digitale infra­struc­tuur nodig. Zonder datacen­ters zijn er geen digitale overheids­dien­sten, geen moderne zieken­huizen, geen finan­ciële dienst­ver­le­ning, geen industriële automa­ti­se­ring en geen Europese AI-capaci­teit. Wanneer wij onze digitale infra­struc­tuur niet zelf organi­seren, worden we nog afhan­ke­lijker van buiten­landse techno­lo­gie­be­drijven en infrastructuuraanbieders.

De relevante vraag is daarom niet óf wij datacen­ters nodig hebben. De relevante vraag is:

Welke datacen­ters hebben wij nodig, voor welke toepas­singen, op welke locaties en tegen welke aantoon­bare maatschap­pe­lijke en energe­ti­sche prestaties?

Die vraag kan alleen worden beant­woord wanneer we beschikken over betrouw­bare en verge­lijk­bare gegevens.

Zelfrapportage is nog geen bewijs

Het Pulitzer Center waarschuwt terecht voor het klakke­loos overnemen van duurzaam­heids­claims. Datacen­te­r­ex­ploi­tanten publi­ceren regel­matig cijfers over hernieuw­bare energie, Power Usage Effec­ti­ve­ness, water­be­spa­ring en CO₂-reductie. Zulke gegevens kunnen waardevol zijn, maar alleen wanneer duide­lijk is hoe ze zijn gemeten, welke systeem­grenzen zijn gebruikt en of ze onafhan­ke­lijk kunnen worden gecontroleerd.

Een percen­tage groene stroom zegt bijvoor­beeld niet automa­tisch dat een datacenter ieder uur fysiek door hernieuw­bare energie wordt gevoed. Het kan gaan om certi­fi­caten of contrac­tuele compen­satie op jaarbasis. Op momenten waarop onvol­doende zon- of windenergie beschik­baar is, wordt de feite­lijke elektri­ci­teits­vraag mogelijk alsnog ingevuld door andere bronnen.

Ook noodstroom­voor­zie­ningen horen bij het volle­dige beeld. Een datacenter kan voor zijn reguliere elektri­ci­teits­in­koop een duurzaam profiel presen­teren, maar tegelij­ker­tijd beschikken over grote hoeveel­heden diesel- of gasge­stookte noodge­ne­ra­toren. Die voorzie­ningen zijn vanuit conti­nu­ï­teits­per­spec­tief begrij­pe­lijk, maar moeten wel worden meege­nomen in de beoor­de­ling van emissies, lokale lucht­kwa­li­teit en totale milieu-impact.

Trans­pa­rantie betekent daarom meer dan het publi­ceren van een duurzaam­heids­rap­port. Werke­lijke trans­pa­rantie vereist dat cijfers:

  • gebaseerd zijn op actuele metingen;
  • afkom­stig zijn van bekende en geregi­streerde meetpunten;
  • voorzien zijn van duide­lijke defini­ties en systeemgrenzen;
  • over meerdere perioden verge­lijk­baar zijn;
  • herleid­baar zijn naar brondata;
  • en onafhan­ke­lijk geveri­fi­eerd kunnen worden.

Zonder die voorwaarden blijft duurzaam­heid te veel een commu­ni­ca­tief begrip.

PUE is nuttig, maar vertelt maar een deel van het verhaal

De bekendste indicator voor datacen­te­r­ef­fi­ci­ëntie is Power Usage Effec­ti­ve­ness, oftewel PUE. Deze waarde verge­lijkt het totale energie­ge­bruik van een datacenter met het energie­ge­bruik van de aanwe­zige IT-apparatuur.

PUE is nuttig om te beoor­delen hoeveel energie wordt gebruikt voor onder meer koeling, stroom­ver­de­ling en onder­steu­nende instal­la­ties. Maar PUE zegt niets over de vraag of de IT-appara­tuur zelf efficiënt wordt benut.

Een datacenter kan een uitste­kende PUE hebben, terwijl een aanzien­lijk deel van de servers nauwe­lijks produc­tief werk verricht. Vanuit gebouw­tech­nisch perspec­tief lijkt het datacenter dan efficiënt. Vanuit maatschap­pe­lijk en energe­tisch perspec­tief kan nog steeds sprake zijn van aanzien­lijke verspilling.

Een eenvou­dige verge­lij­king maakt dit duide­lijk. Een zuinige vracht­wagen die vrijwel leeg rondrijdt, blijft ineffi­ciënt gebruikt. Het brand­stof­ver­bruik per gereden kilometer kan laag zijn, maar het energie­ge­bruik per vervoerde ton is ongun­stig. Voor datacen­ters geldt hetzelfde: niet alleen de effici­ëntie van de facili­teit telt, maar ook de hoeveel­heid nuttige digitale presta­ties die met de gebruikte energie wordt geleverd.

Daarom moeten we naast facili­taire indica­toren ook kijken naar:

  • de feite­lijke benut­ting van servers en processors;
  • het aandeel energie dat wordt gebruikt voor produc­tieve workloads;
  • de verhou­ding tussen energie­ge­bruik en trans­ac­ties, gebrui­kers of berekeningen;
  • ongebruikte of overge­di­men­si­o­neerde IT-capaciteit;
  • de presta­ties per kilowattuur;
  • en de effici­ëntie van indivi­duele appli­ca­ties en AI-modellen.

Juist bij AI wordt dit steeds belang­rijker. Het trainen of gebruiken van twee modellen voor een verge­lijk­bare taak kan een sterk verschil­lend energie­ge­bruik opleveren. Alleen het energie­ge­bruik van het gebouw meten is dan onvol­doende. We moeten uitein­de­lijk kunnen beoor­delen hoeveel bruik­bare AI-prestatie per eenheid energie wordt geleverd.

Van groene stroom naar aantoonbare ketenprestaties

Een datacenter staat niet op zichzelf. Het is onder­deel van een keten die begint bij energie­op­wek­king en eindigt bij een digitale dienst of bedrijfsproces.

Een geloof­waar­dige beoor­de­ling moet daarom minimaal rekening houden met:

  1. de herkomst en beschik­baar­heid van de elektriciteit;
  2. verliezen tijdens trans­port en omzetting;
  3. het energie­ge­bruik van koeling en onder­steu­nende installaties;
  4. de benut­ting van de IT-apparatuur;
  5. de effici­ency van appli­ca­ties en workloads;
  6. het water­ge­bruik;
  7. de inzet of afvoer van restwarmte;
  8. de levens­duur en circu­la­ri­teit van hardware;
  9. en de uitein­de­lijke maatschap­pe­lijke of econo­mi­sche output.

Het Pulitzer Center wijst er bijvoor­beeld op dat water­ge­bruik niet alleen op locatie plaats­vindt. Ook elektri­ci­teits­pro­ductie kan een water­com­po­nent hebben. Een koelsys­teem met een zeer laag direct water­ge­bruik kan boven­dien meer elektri­ci­teit vragen. Daardoor kan een verbe­te­ring van de ene indicator leiden tot een verslech­te­ring van een andere.

Dat illustreert waarom losse duurzaam­heids­claims gevaar­lijk zijn. Een datacenter kan niet geloof­waardig als duurzaam worden aange­merkt op basis van één gunstige KPI. Er is een samen­han­gend presta­tie­beeld nodig waarin energie, water, IT-presta­ties, emissies en warmte­ge­bruik gezamen­lijk worden beoordeeld.

Restwarmte moet meetbaar nuttig zijn

Restwarmte wordt regel­matig genoemd als voordeel van datacen­ters. In theorie kan de warmte van servers worden ingezet voor woningen, kassen, zwembaden of industriële processen. In de praktijk blijkt benut­ting niet altijd eenvoudig.

De tempe­ra­tuur van de warmte, de afstand tot afnemers, de conti­nu­ï­teit van de warmte­vraag en de kosten van infra­struc­tuur zijn bepalend voor de haalbaar­heid. Daarnaast is het belang­rijk wie verant­woor­de­lijk is voor inves­te­ringen en opera­ti­o­nele risico’s.

Een aanslui­ting die technisch aanwezig is, betekent nog niet dat warmte daadwer­ke­lijk nuttig wordt ingezet.

Daarom moet niet alleen worden gerap­por­teerd hoeveel warmte theore­tisch beschik­baar is, maar vooral:

  • hoeveel warmte daadwer­ke­lijk wordt geleverd;
  • op welke temperatuur;
  • gedurende hoeveel uren per jaar;
  • aan welke afnemers;
  • welke andere energie­bron hierdoor wordt vermeden;
  • en welk deel van de totale restwarmte nuttig wordt toegepast.

De Europese regel­ge­ving erkent inmid­dels het belang van deze meetbaar­heid. Gerap­por­teerde datacen­ters moeten onder andere energie­ge­bruik, waterinput en herge­bruikte warmte meten volgens vastge­legde metho­dieken. De regel­ge­ving benadrukt boven­dien dat meetpunten en gebruikte meetap­pa­ra­tuur gedurende ten minste tien jaar traceer­baar moeten blijven.

Dat is een belang­rijke stap. Maar rappor­teren alleen is niet genoeg. De betrouw­baar­heid en verge­lijk­baar­heid van de onder­lig­gende data moeten eveneens worden geborgd.

Economische claims moeten volledig worden doorgerekend

Ook de econo­mi­sche bijdrage van datacen­ters verdient een evenwich­tige beoordeling.

Tijdens de bouw leveren grote datacen­ter­pro­jecten veel werkge­le­gen­heid op. Na ingebruik­name daalt het aantal directe banen doorgaans aanzien­lijk. Boven­dien gaat het vaak om speci­a­lis­ti­sche functies waarvoor medewer­kers niet altijd lokaal beschik­baar zijn. Het Pulitzer Center adviseert daarom om onder­scheid te maken tussen tijde­lijke bouwwerk­ge­le­gen­heid, struc­tu­rele werkge­le­gen­heid en indirecte econo­mi­sche effecten.

Daarnaast moeten publieke inves­te­ringen worden meege­wogen. Denk aan uitbrei­ding van het elektri­ci­teitsnet, aanpas­sing van wegen, beschik­baar stellen van grond, fiscale voordelen en de inzet van vergun­ning­ver­le­nende instanties.

De vraag is niet alleen hoeveel een datacenter inves­teert, maar ook:

  • welke publieke voorzie­ningen daarvoor nodig zijn;
  • welke netca­pa­ci­teit wordt gereserveerd;
  • welke andere bedrijven of woning­bouw­pro­jecten hierdoor mogelijk moeten wachten;
  • hoeveel struc­tu­rele belas­ting­in­kom­sten worden gerealiseerd;
  • hoeveel lokale econo­mi­sche activi­teit ontstaat;
  • en welke publieke risico’s achter­blijven wanneer een project wordt vertraagd of beëindigd.

Een inves­te­ring van miljarden euro’s klinkt indruk­wek­kend, maar is op zichzelf geen bewijs van maatschap­pe­lijke waarde. De volle­dige kosten-baten­ver­hou­ding moet zicht­baar worden gemaakt.

Kijk naar de volledige levenscyclus

Een sterk punt van de Pulitzer-publi­catie is dat zij datacen­ters niet alleen tijdens de opera­ti­o­nele fase beoor­deelt. De auteurs onder­scheiden de voorge­stelde fase, de bouwfase, de opera­ti­o­nele fase en de fase van ontman­te­ling of verlaten infrastructuur.

Die levens­cy­clus­be­na­de­ring is essentieel.

Tijdens de planfase moeten claims over werkge­le­gen­heid, energie, water, ruimte en warmte­be­nut­ting toets­baar worden vastge­legd. Tijdens de bouw moeten onder andere materi­aal­ge­bruik, CO₂-impact en wijzi­gingen in ontwerp of budget worden gevolgd. Tijdens de opera­ti­o­nele fase moeten de feite­lijke presta­ties worden verge­leken met de oorspron­ke­lijke toezeggingen.

Ook het einde van de levens­duur verdient aandacht. AI-hardware heeft doorgaans een veel kortere econo­mi­sche levens­duur dan het datacen­ter­ge­bouw. Servers, GPU’s, batte­rijen, koelsys­temen en elektri­sche instal­la­ties worden tussen­tijds vervangen. Dat leidt tot materi­aal­stromen, elektro­nisch afval en nieuwe investeringsrondes.

Daarom moet vooraf duide­lijk zijn:

  • hoe appara­tuur wordt herge­bruikt of gerecycled;
  • welke onder­delen modulair vervang­baar zijn;
  • hoe lang gebouw en techni­sche instal­la­ties bruik­baar blijven;
  • wie verant­woor­de­lijk is voor ontmanteling;
  • en welke finan­ciële voorzie­ning daarvoor wordt getroffen.

Een werke­lijk duurzaam datacenter is niet alleen efficiënt tijdens het eerste opera­ti­o­nele jaar. Het moet gedurende zijn volle­dige levens­duur aanpas­baar, meetbaar, onder­houd­baar en herbruik­baar zijn.

Europese rapportage is een beginpunt, geen eindpunt

De Europese Energy Effici­ency Direc­tive heeft een verplich­ting geïntro­du­ceerd voor het monitoren en rappor­teren van de energie­pres­ta­ties van datacen­ters. De Europese Commissie werkt daarnaast aan een beoor­de­lings­sys­teem en minimum­eisen voor de duurzaam­heid en energie-effici­ëntie van datacenters.

Volgens de Europese regels moeten rappor­te­rende datacen­ters jaarlijks een reeks energie- en duurzaam­heids­in­di­ca­toren aanle­veren. Daarbij gaat het onder andere om het totale energie­ge­bruik, IT-energie­ge­bruik, water­ge­bruik, hernieuw­bare energie en herge­bruikte warmte.

Dit is een noodza­ke­lijke ontwik­ke­ling. Tegelij­ker­tijd moeten we voorkomen dat rappor­tage een admini­stra­tieve werke­lijk­heid naast de opera­ti­o­nele werke­lijk­heid wordt.

Een getal in een database is pas waardevol wanneer duide­lijk is:

  • waar het vandaan komt;
  • of het volledig is;
  • of overal dezelfde definitie wordt gebruikt;
  • of schat­tingen en metingen van elkaar worden onderscheiden;
  • of correc­ties zicht­baar blijven;
  • en of een onafhan­ke­lijke partij de uitkomst kan controleren.

De volgende stap moet daarom niet simpelweg méér regel­ge­ving zijn. De volgende stap moet bestaan uit betere uitvoe­ring, betrouw­bare meetme­thoden en onafhan­ke­lijke verificatie.

Van rapporteren naar certificeren

Voor Stich­ting Save Energy Founda­tion is dit de kern van de opgave. Wij zijn voorstander van trans­pa­rante en praktisch toepas­bare indica­toren die gebaseerd zijn op echte opera­ti­o­nele data.

Daarbij moeten drie niveaus met elkaar worden verbonden.

Het eerste niveau is de fysieke infra­struc­tuur: energie­voor­zie­ning, koeling, UPS-systemen, water­ge­bruik en restwarmte.

Het tweede niveau is de IT-infra­struc­tuur: servers, opslag, netwerken, virtu­a­li­satie en hardwarebenutting.

Het derde niveau is de digitale output: appli­ca­ties, trans­ac­ties, gebrui­kers, workloads en AI-prestaties.

Pas wanneer deze niveaus met elkaar worden verbonden, kunnen we bepalen of energie daadwer­ke­lijk doelmatig wordt ingezet.

Daarbij hoort onafhan­ke­lijke certi­fi­ce­ring. Niet als extra papieren keurmerk, maar als controle op de dataketen. Een certi­fi­ce­rende partij moet kunnen vaststellen dat de gegevens volledig, consis­tent, herleid­baar en repro­du­ceer­baar zijn.

Een derge­lijk systeem maakt het mogelijk om datacen­ters en digitale diensten op een eerlijke manier te verge­lijken. Het helpt overheden bij vergun­ning­ver­le­ning en inkoop. Het geeft finan­ciers beter inzicht in techni­sche en duurzaamheidsrisico’s. Het stelt klanten in staat om niet alleen op prijs en beschik­baar­heid, maar ook op aantoon­bare energie­pres­ta­ties te selecteren.

En het beschermt datacen­te­r­ex­ploi­tanten die werke­lijk inves­teren in effici­ency tegen concur­renten die vooral inves­teren in goede marketing.

Transparantie is geen bedreiging voor de sector

Soms wordt gesteld dat uitge­breide openbaar­ma­king de concur­ren­tie­po­sitie van datacen­ters kan schaden. Uiter­aard moeten bedrijfs­ge­voe­lige gegevens worden beschermd. Maar vertrou­we­lijk­heid mag geen argument worden om iedere vorm van controle onmoge­lijk te maken.

Het is goed mogelijk om presta­ties onafhan­ke­lijk te laten verifi­ëren zonder alle techni­sche of commer­ciële details openbaar te maken. Ook in andere sectoren worden finan­ciële, veilig­heids- en kwali­teits­ge­ge­vens gecon­tro­leerd door onafhan­ke­lijke deskundigen.

Voor datacen­ters moet hetzelfde uitgangs­punt gelden.

Sterker nog: trans­pa­rantie kan het vertrouwen in de sector juist vergroten. Wanneer exploi­tanten kunnen aantonen dat zij efficiënt omgaan met energie, water en materi­alen, ontstaat een feite­lijke basis voor de dialoog met overheden en omwonenden.

Dat is belang­rijk in een tijd waarin netcon­gestie, energie­prijzen en ruimte­lijke ordening steeds vaker leiden tot maatschap­pe­lijke weerstand tegen nieuwe datacenterprojecten.

Van megawatt naar maatschappelijke waarde

De komende jaren zullen steeds grotere bedragen worden geïnves­teerd in AI-infra­struc­tuur. Daarmee neemt ook de verant­woor­de­lijk­heid toe om aan te tonen dat de benodigde energie en grond­stoffen doelmatig worden ingezet.

We moeten daarom stoppen met het uitslui­tend beoor­delen van datacen­ters op opgesteld vermogen, vierkante meters, inves­te­rings­be­dragen en theore­ti­sche duurzaamheidsclaims.

De centrale indicator moet uitein­de­lijk zijn:

Welke aantoon­bare digitale en maatschap­pe­lijke prestatie wordt geleverd met de gebruikte energie, het gebruikte water, de gebruikte materi­alen en de gereser­veerde infrastructuur?

Dat vereist samen­wer­king tussen datacen­te­r­ex­ploi­tanten, IT-leveran­ciers, softwa­re­ont­wik­ke­laars, energie­be­drijven, overheden, kennis­in­stel­lingen en onafhan­ke­lijke meet- en certificeringsorganisaties.

Het Pulitzer Center roept journa­listen op om door beloften en presen­ta­ties heen te kijken en zelfstandig bewijs te verza­melen. Die oproep verdient navol­ging in de hele keten.

Ook beleids­ma­kers, inves­teer­ders en afnemers moeten niet langer tevreden zijn met gemid­delden, schat­tingen en zelfge­kozen duurzaam­heids­in­di­ca­toren. Zij moeten vragen om actuele, herleid­bare en contro­leer­bare gegevens.

Niet om de ontwik­ke­ling van datacen­ters en AI tegen te houden, maar om ervoor te zorgen dat we de juiste infra­struc­tuur bouwen: efficiënt, toekomst­be­stendig, soeve­rein en aantoon­baar verantwoord.

Want een duurzaam datacenter is niet het datacenter dat zichzelf duurzaam noemt.

Een duurzaam datacenter is het datacenter dat zijn presta­ties onafhan­ke­lijk kan bewijzen.

Marco Verzijl

Marco Verzijl

Marco Verzijl is voorzitter van de Save Energy Foundation en bestuurder bij Wcoolit BV en Zirrow BV

0 Reactie(s)

3 weergaven

0 Reactie(s)

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reacties gesloten

De reactiemogelijkheid is verlopen. (14 dagen)

Nieuwsbrief

Pin It on Pinterest

Share This