22 juli 2026

0 Reactie(s)

22 juli 2026

Van intelligentie-ambitie naar aantoonbare waarde: het datacenterdebat heeft een meetlat nodig

Het Neder­landse datacen­ter­debat zit al jaren gevangen tussen twee uiter­sten. Aan de ene kant staan datacen­ters symbool voor hoog elektri­ci­teits­ver­bruik, netcon­gestie, ruimte­be­slag en water­ge­bruik. Aan de andere kant worden ze gepre­sen­teerd als onmis­bare infra­struc­tuur voor onze digitale economie.

In zijn artikel [Het datacenter debat: van goed-versus-fout naar intelligentie-ambitie](https://rubenswindow.substack.com/p/het-datacenter-debat-van-goed-versus) doet Ruben Nieuwen­huis een belang­rijke poging om uit deze loopgraven te komen. Zijn centrale vraag is niet langer: willen we wel of geen datacen­ters? De relevante vraag is: welke intel­li­gentie willen we met onze digitale infra­struc­tuur produ­ceren, wie profi­teert daarvan en onder wiens zeggen­schap gebeurt dat?

Dat is een noodza­ke­lijke verschui­ving. En Ruben laat het niet bij een abstractie: hij vertaalt de ambitie naar drie concrete vraag­vragen — wat trainen wij zelf, wie neemt het af, en wie komt hier bouwen — en hij vraagt, tot slot, om een jaarlijkse reken­kracht­mo­nitor die waarde per kilowattuur meet, zodat de fabels niet elke twee jaar terugkeren.

Juist daar wil ik op doorbouwen. Want de roep om een monitor is terecht, maar een monitor is pas een meetlat wanneer je weet wát je meet, hoe je het optelt en hoe je het verifi­eert. Zonder die archi­tec­tuur blijft “waarde per kilowattuur” een intentie. Begrippen als duurzame AI, soeve­reine cloud, Europese compute en circu­laire digitale infra­struc­tuur klinken aantrek­ke­lijk, maar krijgen pas betekenis wanneer ze worden vertaald naar aantoon­bare prestaties.

De volgende stap in het debat is daarom niet een nieuw begrip naast Rubens ambitie, maar het funda­ment eronder:

Van intel­li­gentie-ambitie naar meetbare en aantoon­bare compute-waarde.

Ruben benoemt het instru­ment. Dit stuk gaat over hoe je het bouwt.

Een datacenter is geen doel, maar infrastructuur

Het publieke debat behan­delt “het datacenter” vaak als één categorie. In werke­lijk­heid gaat het om sterk verschil­lende infra­struc­turen en toepas­singen. Ruben maakt dat onder­scheid scherp met het beeld van magazijn versus fabriek; het is de moeite waard die schei­ding hier door te trekken naar de meetlat, want elke categorie vraagt om andere indicatoren.

Een tradi­ti­o­neel enter­prise- of coloca­tie­da­ta­center onder­steunt onder andere betalings­ver­keer, zorgsys­temen, overheids­dien­sten, bedrijfs­ap­pli­ca­ties en digitale commu­ni­catie. Een hypers­cale cloud­lo­catie bedient een inter­na­ti­o­nale markt met opslag- en cloud­dien­sten. Een AI-datacenter gebruikt GPU’s en andere accele­ra­tors om modellen te trainen, te verfijnen en toe te passen.

Ook binnen AI-infra­struc­tuur moet onder­scheid worden gemaakt.

Groot­scha­lige training vraagt om grote hoeveel­heden gecon­cen­treerde reken­kracht en kan in veel gevallen plaats­vinden op locaties waar duurzame elektri­ci­teit ruim beschik­baar is. Inferentie – het daadwer­ke­lijk gebruiken van modellen – vraagt vaak juist om capaci­teit dichter bij gebrui­kers, data en bedrijfs­pro­cessen. Dat is relevant voor latency, bedrijfs­con­ti­nu­ï­teit, privacy en jurisdictie.

Het logische eindbeeld is daarom niet één alles­om­vat­tende AI-gigafa­briek, maar een gelaagde compute-architectuur:

  • groot­scha­lige trainings­ca­pa­ci­teit op energie­ge­schikte locaties;
  • natio­nale en regio­nale infra­struc­tuur voor inference en fine-tuning;
  • edgeca­pa­ci­teit dicht bij machines, zieken­huizen, overheden en industriële processen;
  • een meet- en bewijs­laag die presta­ties over deze infra­struc­tuur heen inzich­te­lijk maakt.

Die laatste laag is precies het onder­werp van dit stuk. De eerste drie lagen gaan over waar reken­kracht staat; de vierde gaat over of we kunnen aantonen wat die reken­kracht waard is. Zonder die vierde laag beoor­delen we een gelaagde archi­tec­tuur nog steeds met de instru­menten van een enkele blokkendoos.

Europa zet inmid­dels stevig in op AI Facto­ries en AI Gigaf­ac­to­ries. De Europese Commissie heeft binnen InvestAI een facili­teit van €20 miljard aange­kon­digd voor maximaal vijf AI Gigaf­ac­to­ries, naast het bredere netwerk van Europese AI Factories.

De vraag is echter niet alleen hoeveel GPU’s Europa kan instal­leren. De doorslag­ge­vende vraag is welke Europese toepas­singen, bedrijven, publieke diensten en kennis­clus­ters er duurzaam op gaan draaien — en of we van díe waarde een aantoon­baar cijfer kunnen maken in plaats van een aanname.

Van elektriciteitsverbruik naar waarde per kilowattuur

Neder­landse datacen­ters ontvingen in 2024 gezamen­lijk ongeveer 5,1 miljard kilowattuur elektri­ci­teit via het openbare net. Dat kwam overeen met 4,6 procent van het Neder­landse elektriciteitsverbruik.

Dat is een relevant gegeven, maar op zichzelf nog geen oordeel.

Een kilowattuur die wordt gebruikt om recla­me­pro­fielen effici­ënter te verkopen, heeft een andere maatschap­pe­lijke waarde dan een kilowattuur waarmee een medisch model wordt getraind, een elektri­ci­teitsnet wordt geopti­ma­li­seerd of een industriële instal­latie energie­zui­niger wordt aangestuurd.

Tegelij­ker­tijd mag maatschap­pe­lijke waarde geen vrijbrief worden voor onbeperkt energie­ge­bruik. Een toepas­sing kan strate­gisch belang­rijk zijn en toch ineffi­ciënt worden uitge­voerd. Daarom moeten kosten en opbreng­sten in dezelfde meetlat worden samengebracht.

Niet alleen:

  • hoeveel megawatt is aangesloten;
  • hoeveel elektri­ci­teit wordt verbruikt;
  • hoeveel water wordt ingenomen;
  • hoeveel vierkante meter wordt gebruikt.

Maar ook:

  • oeveel bruik­bare compute wordt geleverd;
  • welke workloads daarmee worden uitgevoerd;
  • hoeveel econo­mi­sche en maatschap­pe­lijke waarde ontstaat;
  • hoeveel energie of CO₂ elders wordt vermeden;
  • welk deel van de capaci­teit beschik­baar is voor Europese organisaties;
  • onder welke juridi­sche en opera­ti­o­nele zeggen­schap data en modellen vallen;
  • hoeveel restwarmte daadwer­ke­lijk wordt benut;
  • welke flexi­bi­li­teit aan het energie­sys­teem wordt geleverd.

De centrale indicator zou daarom niet alleen Power Usage Effec­ti­ve­ness moeten zijn, maar steeds vaker ook:

Useful Compute Value per kilowattuur

Laat ik dat begrip scherp defini­ëren, want de kracht ervan zit in de precisie. Useful Compute Value is geen enkel finan­cieel getal en preten­deert dat ook niet te zijn. Het is een samen­ge­stelde maat die per eenheid energie zicht­baar maakt hoeveel *produc­tieve* reken­kracht wordt geleverd, welke waarde daarmee wordt gecre­ëerd, welke milieu-impact daarte­gen­over staat en onder wiens zeggen­schap dat gebeurt. Het is met andere woorden een genor­ma­li­seerd dashboard van techni­sche, econo­mi­sche, ecolo­gi­sche en soeve­rei­ni­teits­in­di­ca­toren — geen prijs­kaartje, maar een profiel.

Die keuze voor een profiel in plaats van één getal is bewust. Een enkel kengetal nodigt uit tot optima­li­seren op het getal in plaats van op de werke­lijk­heid; een samen­han­gend profiel dwingt tot het tonen van de afruilen. Een datacenter dat uitblinkt op energie-effici­ëntie maar struc­tu­reel onder­be­nutte hardware draait, komt er in een profiel niet mee weg. En een toepas­sing met hoge maatschap­pe­lijke waarde die energe­tisch verspil­lend wordt uitge­voerd, evenmin.

PUE alleen is niet voldoende

PUE blijft een bruik­bare indicator voor de verhou­ding tussen het totale energie­ge­bruik van een datacenter en het energie­ge­bruik van de IT-appara­tuur. Maar PUE vertelt niet wat de IT-appara­tuur daadwer­ke­lijk produceert.

Een concreet voorbeeld maakt dat scherp. Neem twee datacen­ters met een identieke PUE van 1,2. Het ene levert vrijwel volledig benutte GPU-capaci­teit aan een medisch beeld­model dat dagelijks duizenden diagnoses onder­steunt; de restwarmte gaat een nabij­ge­legen warmtenet in en de trainings­taken schuiven mee met het aanbod van windstroom. Het andere draait struc­tu­reel onder­be­nutte servers voor een overge­di­men­si­o­neerd model dat nauwe­lijks wordt gebruikt, op grijze stroom, zonder warmte­be­nut­ting. Op PUE zijn ze niet te onder­scheiden. Op Useful Compute Value verschillen ze als dag en nacht. Een lage PUE kan zelfs samen­gaan met ineffi­ci­ënte software, overge­di­men­si­o­neerde modellen of hardware die nauwe­lijks wordt gebruikt — een goed rapport­cijfer voor de verpak­king zegt niets over de inhoud.

Voor AI-infra­struc­tuur moeten we daarom ten minste op vijf niveaus meten.

1. Efficiëntie van de faciliteit

Hieronder vallen de bestaande indica­toren voor energie, koeling en water:

  • PUE
  • Water Usage Effectiveness
  • aandeel hernieuw­bare energie
  • effec­ti­vi­teit van de koeling
  • werke­lijk herge­bruikte restwarmte
  • energie­ge­bruik van onder­steu­nende installaties

De Europese rappor­ta­ge­ver­plich­tingen voor datacen­ters vanaf 500 kW geïnstal­leerd IT-vermogen omvatten onder meer energie­ge­bruik, water­ge­bruik, hernieuw­bare energie, koeling en restwarmte. De Europese database publi­ceert deze infor­matie op geaggre­geerd niveau. Dit is de enige laag waarvoor al een wette­lijk veran­kerde rappor­ta­ge­stroom bestaat — en zoals ik verderop bespreek, is juist de naleving daarvan nog geen gelopen race.

2. Efficiëntie van de IT-infrastructuur

Vervol­gens moet worden gemeten hoe doelmatig de aanwe­zige hardware wordt gebruikt:

  • gemid­delde benut­tings­graad van CPU’s en GPU’s
  • idle time
  • energie­ge­bruik per rekentaak
  • energie­ge­bruik per training run
  • energie per inferen­ce­ver­zoek of per miljoen tokens
  • verhou­ding tussen gereser­veerde en werke­lijk gebruikte capaciteit
  • techni­sche levens­duur en herge­bruik van hardware

Hiermee wordt zicht­baar of geïnstal­leerde reken­kracht daadwer­ke­lijk produc­tief is. Dit is de laag die het scherpst het verschil maakt tussen “aange­sloten vermogen” en “geleverde compute”, en het is niet toevallig de laag die in het publieke debat volledig ontbreekt. We tellen megawatts aan de poort; we tellen zelden of die megawatts binnen ook echt werk verzetten.

3. Waarde van de workload

Niet iedere workload hoeft inhou­de­lijk door een overheid te worden beoor­deeld. Wel kunnen opdracht­ge­vers en exploi­tanten inzich­te­lijk maken welke catego­rieën worden ondersteund:

  • zorg
  • energie
  • water­ma­na­gemen;
  • mobili­teit
  • weten­schap
  • defensie en veiligheid
  • industrie
  • overheid
  • algemene commer­ciële toepassingen

Dit maakt het mogelijk om infra­struc­tuur­be­leid te koppelen aan natio­nale en Europese priori­teiten zonder dat de overheid indivi­duele algoritmen hoeft goed te keuren.

Hier hoort meteen de scherpste tegen­wer­ping op mijn hele betoog thuis, want die komt gegaran­deerd: is “waarde van de workload” meten niet gewoon een verkapte manier om de overheid winnaars te laten aanwijzen? En wordt zo’n classi­fi­catie niet onmid­del­lijk gamebaar — noemt straks niet iedereen zijn workload “zorg” of “energie”?

Beide bezwaren zijn terecht en beide zijn oplos­baar, mits je het instru­ment goed ontwerpt. De meetlat wijst geen indivi­duele toepas­singen goed of fout aan; hij maakt catego­rieën trans­pa­rant, zodat beleid en inkoop op porte­feuil­le­ni­veau kunnen sturen zonder één algoritme te beoor­delen. Het is het verschil tussen een keurmerk en een censor. En de gamebaar­heid onder­vang je niet met mooiere defini­ties maar met verifi­catie: een worklo­ad­clas­si­fi­catie die niet gekop­peld is aan onafhan­ke­lijk contro­leer­bare techni­sche data (welke modellen, welke datastromen, welke afnemers) is een marke­ting­label, geen meetwaarde. Daarom staat waarde-classi­fi­catie in dit raamwerk nooit op zichzelf, maar altijd naast de harde, verifi­eer­bare niveaus 1, 2 en 4. Waarde zonder bewijs telt niet mee.

4. Bijdrage aan het energiesysteem

Datacen­ters moeten niet uitslui­tend als vaste elektri­ci­teits­vraag worden behan­deld. Vooral AI-workloads bieden mogelijk­heden om reken­taken in tijd en locatie te verschuiven.

Relevant zijn daarom indica­toren zoals:

  • beschik­baar flexibel vermogen
  • deelname aan congestiemanagement
  • afscha­kel­baar­heid tijdens piekbelasting
  • inzet van lokale opslag
  • afstem­ming op productie van wind- en zonne-energie
  • vermeden piekbe­las­ting
  • terug­ge­le­verde of vermeden netcapaciteit

Flexi­bi­li­teit moet daarbij aantoon­baar zijn. Niet de techni­sche mogelijk­heid, maar de daadwer­ke­lijk geleverde systeem­dienst moet meetellen. Dit onder­scheid is niet acade­misch. Het net zit deels *admini­stra­tief* vol: gecon­trac­teerde capaci­teit die niet volledig wordt benut, kan de netbe­heerder niet nog eens uitgeven. Een datacenter dat aantoon­baar ongebruikte ruimte terug­geeft of piekbe­las­ting verschuift, vergroot daarmee de facto het net zonder dat er een kabel bij hoeft. Precies die geleverde dienst — niet de belofte ervan — hoort in de meetlat.

5. Digitale soevereiniteit

Een datacenter op Neder­landse bodem is niet automa­tisch soeve­reine infrastructuur.

Daarvoor moeten vragen worden beant­woord over:

  • eigendom van de infrastructuur
  • zeggen­schap over opera­ti­o­nele processen
  • toepas­se­lijke jurisdictie
  • toegang tot data en metadata
  • beheer van encryptiesleutels
  • porta­bi­li­teit van data en modellen
  • afhan­ke­lijk­heid van één cloud- of chipaanbieder
  • mogelijk­heid om workloads naar een andere infra­struc­tuur te verplaatsen
  • eigendom van modellen, fine-tuning­resul­taten en gebruiksdata

Aan dat laatste punt hangt een dimensie die vaak buiten beeld blijft en die het soeve­rei­ni­teits­vraag­stuk funda­men­teel verscherpt. Ruben brengt haar terecht binnen via wat Satya Nadella de *Reverse Infor­ma­tion Paradox* noemt: wie zijn data en werkpro­cessen door ander­mans model laat verwerken, betaalt tweemaal — eenmaal met geld, en eenmaal met de eigen kennis die het model onderweg absor­beert, via prompts, correc­ties en gebruiks­sporen. Vertaald naar onze sterkste sectoren: train de kassen­data, de delta­data of de medische beelden via niet-Europese founda­tion models, en over tien jaar zit onze domein­kennis ín die modellen, terwijl wij er een abonne­ment op hebben.

Dit is geen randver­schijnsel, maar raakt de kern van waarom soeve­rei­ni­teit *meetbaar* moet zijn. Het is niet genoeg om te weten waar de data staat; je moet kunnen aantonen waar het geleerde landt — bij jou, of bij je toekom­stige concur­rent. Een volwassen soeve­rei­ni­teits­in­di­cator maakt daarom niet alleen eigendom en juris­dictie zicht­baar, maar ook of het IP dat tijdens gebruik ontstaat binnen de eigen zeggen­schap accumu­leert. Dat is het schar­nier tussen soeve­rei­ni­teit en de bewijs­laag verderop in dit stuk.

Het aange­scherpte Rijks­cloud­be­leid laat zien dat ook de overheid afhan­ke­lijk­heid en extra­ter­ri­to­riale wetge­ving nadruk­ke­lijker meeweegt. Voor kerntaken van kritieke rijks­or­ga­ni­sa­ties wordt het gebruik van cloud­dien­sten van aanbie­ders die onder wetge­ving buiten de EU of EER vallen afgeraden.

Maar soeve­reine opslag zonder voldoende soeve­reine reken­kracht is slechts een gedeel­te­lijke oplos­sing. Data kunnen dan wel Europees worden opgeslagen, terwijl de verwer­king, model­ont­wik­ke­ling en inference alsnog afhan­ke­lijk blijven van niet-Europese infra­struc­tuur. Een eigen kluis vol grond­stof die je vervol­gens elders laat verwerken, is geen soeve­rei­ni­teit maar uitbe­ste­ding met een Europees etiket.

Van vrijwillige beloften naar prestatieafspraken

Veel datacen­ter­pro­jecten beloven restwarmte, flexi­bi­li­teit, duurzame elektri­ci­teit en werkge­le­gen­heid. Het probleem is niet dat deze bijdragen onmoge­lijk zijn. Het probleem is dat ze tijdens vergun­ning­ver­le­ning en politieke besluit­vor­ming vaak onvol­doende concreet worden gemaakt.

Daarom moeten vergun­ningen en publieke onder­steu­ning steeds vaker presta­tie­ge­richt worden.

Een locatie kan bijvoor­beeld worden beoor­deeld op:

  • maximaal water­ge­bruik
  • minimale benut­ting van restwarmte, mits een afnemer en warmtenet beschik­baar zijn
  • aantoon­bare flexi­bi­li­teit tijdens congestie
  • minimale energie-effici­ëntie
  • rappor­tage over benut­tings­graad van de IT-capaciteit
  • circu­la­ri­teits­plan voor servers, chips en koelinstallaties
  • capaci­teit voor Europese of publieke workloads
  • perio­dieke, onafhan­ke­lijk verifi­eer­bare rapportage

Daarmee ontstaat geen verbod op datacen­ters, maar een duide­lijke maatschap­pe­lijke tegenprestatie.

Een voorwaarde als “restwarmte moet worden benut” werkt overi­gens alleen wanneer ook de vraag­zijde wordt georga­ni­seerd. Zonder warmtenet, afnemers en sluitende busines­scase kan zelfs technisch bruik­bare warmte niet worden afgezet. Dit vraagt om gebieds­ont­wik­ke­ling waarin energie-infra­struc­tuur, warmte­af­name en digitale capaci­teit gezamen­lijk worden gepland. Ook het oorspron­ke­lijke artikel wijst erop dat verplich­tingen aan de aanbod­zijde weinig effect hebben wanneer de afnemer niet wordt georga­ni­seerd: restwarmte stokt zelden aan de bron, maar aan de netten, de afnemers en de busines­scase eromheen. Wie de plicht oplegt, moet de afnemer erbij organi­seren. Precies daarom is een prestatie-eis zonder meetlat een lege huls: je kunt alleen op geleverde prestatie afrekenen als je die prestatie ook onafhan­ke­lijk kunt vaststellen.

Naast gigafabrieken is modulaire infrastructuur nodig

Het Europese debat wordt momen­teel sterk gedomi­neerd door AI Facto­ries en zeer grote GPU-clusters. Die schaal is nodig voor het trainen van de grootste modellen, maar lost niet alle vraag­stukken op.

Veel Europese organi­sa­ties hebben juist behoefte aan:

  • afgeschermde inferen­ce­ca­pa­ci­teit
  • fine-tuning op eigen data
  • voorspel­bare capaciteit
  • lage latency
  • lokale juridi­sche controle
  • koppe­ling met lokale duurzame energie
  • schaal­baar­heid zonder direct honderden megawatts te reserveren

Daarom is naast groot­scha­lige centrale infra­struc­tuur ook modulaire en regio­nale capaci­teit nodig.

Hier past een eerlijke tegen­wer­ping, want die komt uit de hoek van de schaal­eco­nomie: is modulaire, regio­nale capaci­teit niet per euro minder efficiënt dan één groot cluster, en dreigt zo geen versnip­pe­ring? Het antwoord is dat effici­ëntie per euro niet de enige as is waarop je infra­struc­tuur beoor­deelt. Latency, juris­dictie, gefaseerde inves­te­ring en energie-siting zijn even reële ontwerp­cri­teria, en op die assen wint een modulaire laag juist. Het gaat dan ook niet om vervan­ging maar om comple­men­ta­ri­teit: de grootste modellen train je centraal waar stroom overvloedig is; de inference, de fine-tuning en de datage­voe­lige workloads plaats je dichter bij de gebruiker. Een gelaagde archi­tec­tuur is geen ineffi­ci­ënte versie van één gigafa­briek — het is het antwoord op vraag­stukken die één gigafa­briek niet kán oplossen.

Een mogelijke Neder­landse infra­struc­tuur­laag bestaat uit modulaire datacen­ter­con­cepten zoals SOLOdc voor algemene digitale infra­struc­tuur en SoloAI voor hoogver­mogen-AI-workloads. SoloAI is ontworpen als modulaire AI-infra­struc­tuur met ongeveer 1,5 MW IT-capaci­teit per eenheid, hoge rackdicht­heden en vloei­stof­koe­ling. Hierdoor kan capaci­teit gefaseerd worden toege­voegd en dichter bij beschik­bare energie, warmte­af­ne­mers en gebrui­kers worden geplaatst.

Dit vervangt een AI-gigafa­briek niet. Het vormt een aanvul­lende laag tussen centrale trainings­clus­ters en de eindgebruiker.

De waarde van zo’n modulaire archi­tec­tuur ligt in:

  • kortere reali­sa­tie­tijden
  • gefaseerde inves­te­ringen
  • plaat­sing op locaties met beschik­bare energie
  • onder­steu­ning van regio­nale inference
  • koppe­ling aan energie­hubs en warmtevragers
  • voorkomen dat iedere toepas­sing afhan­ke­lijk wordt van één centrale infrastructuur

En, niet in de laatste plaats: modulaire, meetbare eenheden lenen zich bij uitstek voor de bewijs­laag die hierna volgt. Een afgeba­kende eenheid met eigen energie‑, koel- en IT-instru­men­tatie is nu eenmaal eenvou­diger trans­pa­rant te maken dan een amorf verza­mel­ge­bouw. Meetbaar­heid is dus niet alleen een beleids­wens; het is ook een ontwerp­keuze die je in de infra­struc­tuur zelf kunt inbouwen.

Zonder bewijslaag geen geloofwaardige duurzame AI

De fysieke infra­struc­tuur is slechts één deel van de oplos­sing. Er is ook een onafhan­ke­lijke meet- en verant­woor­dings­laag nodig.

Daar ligt de rol van een platform zoals Zirrow: het realtime combi­neren van gegevens over energie, koeling, water, CO₂, IT-belas­ting, workloads en compliance.

Een derge­lijke bewijs­laag moet verder gaan dan een duurzaam­heids­dash­board. Zij moet relaties zicht­baar maken tussen:

  • de workload
  • de gebruikte infrastructuur
  • het energie­ge­bruik
  • de bron en timing van de elektriciteit
  • de hoeveel­heid nuttige compute
  • de water- en CO₂-impact
  • de geleverde flexibiliteit
  • het gebruik van restwarmte
  • de toepas­se­lijke gover­nance en jurisdictie

Hiermee kan worden aange­toond of een AI-toepas­sing niet alleen functi­o­neert, maar ook voldoet aan afgesproken prestaties.

Dat is relevant voor exploi­tanten, maar ook voor klanten. Een zieken­huis, bank, minis­terie of industriële onder­ne­ming moet straks kunnen beoor­delen welke digitale infra­struc­tuur achter een AI-dienst zit en welke impact daarmee samenhangt.

Meetbaarheid wordt daarmee een inkoopcriterium.**

Om te laten zien wat dat betekent: stel dat een zieken­huis een AI-dienst inkoopt voor beeldana­lyse. Vandaag beoor­deelt het die dienst op functi­o­na­li­teit en prijs. In een wereld met een bewijs­laag beoor­deelt het ook waar de inferentie draait, onder welk recht de patiënt­data valt, of het geleerde binnen de eigen omgeving beklijft, welke CO₂-impact per onder­zoek hoort, en of de leveran­cier die cijfers onafhan­ke­lijk kan aantonen. De inkoop­vraag verschuift van “werkt het en wat kost het?” naar “werkt het, wat kost het maatschap­pe­lijk, en wie houdt de zeggen­schap?”. Dat is precies de verschui­ving die het hele debat nodig heeft — en ze begint niet bij de wetgever, maar bij de inkopende organi­satie die om bewijs vraagt.

Hier raakt mijn betoog aan een ongemak­ke­lijke waarheid uit Rubens nawoord, en die verdient het om expli­ciet te worden gemaakt. Een meetlat is nooit sterker dan de data eronder. De cijfers waarmee we dit debat voeren, rusten op rappor­tages die pas recent deels openbaar werden, en grote energie­ver­brui­kers zijn welis­waar wette­lijk verplicht hun verbruik op te geven, maar dat gebeurt nog altijd niet overal, of maar half. Met andere woorden: nog vóór we toekomen aan de rijkere niveaus van Useful Compute Value, hapert de meest basale laag al. Dat is geen argument tegen een meetlat — het is het sterkste argument vóór. Het funda­ment dat we vragen, hoeft nergens op te wachten: de wette­lijke basis voor niveau 1 bestaat al, hij moet alleen worden nageleefd en gecon­tro­leerd. En voor een sector die zich graag laat voorstaan op zijn duurzame karakter is openheid over het eigen verbruik de goedkoopste verde­di­ging van de eigen geloofwaardigheid.

Naar een Nederlandse compute-agenda

Een volwassen natio­nale compute-agenda moet techno­lo­gie­be­leid, energie­be­leid en industrie­po­li­tiek bij elkaar brengen.

Daarvoor zijn vijf keuzes nodig.

Ten eerste: maak beleids­matig onder­scheid tussen hypers­cale cloud, colocatie, AI-training, inference en edge-infra­struc­tuur. Wat nu onder één reflex valt, vraagt om verschil­lende afwegingen en verschil­lende indicatoren.

Ten tweede: organi­seer de vraag. Overheden, zorgin­stel­lingen, kennis­in­stel­lingen en bedrijven kunnen door langja­rige afname­com­mit­ments Europese compu­te­pro­jecten finan­cier­baar maken. De les van wind op zee is hier onver­bid­de­lijk: infra­struc­tuur zonder georga­ni­seerde vraag stokt, hoe goed de techniek ook is. Aanbod is nodig, vraag is beslissend.

Ten derde: ontwikkel een natio­nale meetlat voor nuttige compute-waarde, waarin energie, water, CO₂, circu­la­ri­teit, soeve­rei­ni­teit en econo­mi­sche output samen­komen. Dit is de reken­kracht­mo­nitor waar ook Ruben om vraagt, maar dan met een gedefi­ni­eerde meetar­chi­tec­tuur eronder in plaats van een goede intentie.

Ten vierde: plan datacen­ters als onder­deel van het energie­sys­teem. Selec­teer locaties op basis van beschik­bare elektri­ci­teit, netflexi­bi­li­teit, warmte­af­name, connec­ti­vi­teit en waterbeschikbaarheid.

Ten vijfde: bouw een gelaagde infra­struc­tuur. Combi­neer Europese trainings­clus­ters met natio­nale en regio­nale inferen­ce­ca­pa­ci­teit en lokale edgeoplossingen.

Conclusie

Het datacen­ter­debat hoeft niet te gaan tussen voorstan­ders die ieder energie­ge­bruik recht­vaar­digen en tegen­stan­ders die iedere serverhal als verspil­ling zien.

De juiste vraag is inder­daad wat we met onze reken­kracht willen produ­ceren. Maar daar hoort onmid­del­lijk een tweede vraag bij:

Kunnen we aantonen dat deze reken­kracht efficiënt, duurzaam, soeve­rein en maatschap­pe­lijk waardevol wordt ingezet?

Neder­land heeft de kennis, digitale connec­ti­vi­teit, energie-infra­struc­tuur en sterke econo­mi­sche sectoren om een belang­rijke positie in de Europese intel­li­gentie-economie in te nemen.

Maar dat lukt alleen wanneer we drie lagen met elkaar verbinden:

  • ambitie: welke intel­li­gentie willen we zelf ontwik­kelen en gebruiken?
  • infra­struc­tuur: waar en onder wiens controle draaien de modellen?
  • bewijs welke waarde en impact worden daadwer­ke­lijk gerealiseerd?

Ruben heeft de eerste laag scherp neergezet en de tweede in kaart gebracht. De derde laag is waar dit stuk over gaat, en zonder die laag blijven de eerste twee onbewezen. Een ambitie zonder bewijs is een slogan; infra­struc­tuur zonder bewijs is een gok; en bewijs zonder de andere twee is boekhou­ding zonder doel. Pas als de drie samen­komen, ontstaat een debat dat verder komt dan de meterstand.

Niet iedere kilowattuur compute is automa­tisch goed of fout. De waarde wordt bepaald door wat we ermee doen, hoe efficiënt we dat doen en wie uitein­de­lijk zeggen­schap houdt over de gepro­du­ceerde intel­li­gentie. Het verschil tussen een slogan en een strategie is of we dat kunnen áántonen.

Dat is het debat dat Neder­land nu moet voeren.

*Dit artikel is een reactie op: Rubens­window, [Het datacenter debat: van goed-versus-fout naar intelligentie-ambitie](https://rubenswindow.substack.com/p/het-datacenter-debat-van-goed-versus), Substack, 19 juli 2026.

Marco Verzijl

Marco Verzijl

Marco Verzijl is voorzitter van de Save Energy Foundation en bestuurder bij Wcoolit BV en Zirrow BV

0 Reactie(s)

14 weergaven

0 Reactie(s)

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reacties gesloten

De reactiemogelijkheid is verlopen. (14 dagen)

Nieuwsbrief

Pin It on Pinterest

Share This